Die tafels voor de shop/work!

Re-board_1

Die tafels voor de shop/work! Ik krijg er een punthoofd van!

– Tafels? Shop/work? Vertel!

– Wel ja, Dokter. Voor de eindpresentatie van onze Stage organiseren we een shop/work in de Beursschouwburg. Dat idee van die winkel, dat speelt al langer door ons hoofd. En om iets te doen met een workshop ook. Maar omdat we niet goed weten hoe we dat moeten doen, hebben we de zaken wat omgedraaid en zijn we bij een shop/work uitgekomen: een winkel om te werken.

– En die tafels, Van Patienten?

– Wel ja, Dokter. We hebben toch meubels nodig voor de shop/work? Iets om al onze inserts op te schikken en om aan te werken. Het idee komt eigenlijk van dat boek dat U me ooit liet zien, over de Atlas van Aby Warburg. Het leek me wel fijn om onze inserts ook op zo een manier te schikken en te herschikken. Het mooie bij Warburgs iconografische kunstgeschiedenis (zeg ik dat juist, Dokter?), is dat hij zijn tableaus altijd opnieuw hergebruikt en herschikt. Dat willen wij ook doen op dit tafels. En als je die tafels verticaal zet, dan heb je een tableau, zoals bij Warburg.

– Dat heb je goed onthouden, Van Patienten. Maar wat is dan het probleem?

– Odile! Dat is het probleem, Dokter! Als ik zeg dat ik een tafel wil maken in de vorm van een H dan vindt ze dat eerst een goed idee en daarna begint ze daar allemaal vragen bij te stellen. Het is de H van Handelaars natuurlijk, maar het is ook een vorm waar je met twee personen aan kan werken. Een beetje zoals die schrijftafel van Bouvard & Pécuchet: een tafel voor twee mensen die elkaar héél graag zien. Perfect voor mij en Odile, dacht ik. Maar nu zegt ze dat ik beter met losse tafels werk, dat die H de shop/work te veel dreigt te blokkeren. Maar ik wil nog altijd met die losse tafels werken, Dokter. Twee van die tafels snij ik uit de binnenkanten van de H. En dan maak ik nog drie extra tafels in hetzelfde materiaal. En als we die H niet nodig hebben om aan te werken, dan zetten we ze gewoon tegen de muur. We kunnen het gebruiken als display. En als object zal dat ook goed geven. Allez, ik denk dat ze het nu wel begrepen heeft. Maar het kost zoveel tijd om dat allemaal uit te leggen. Ondertussen had ik die tafels al lang gemaakt!

– Maar dat is toch eigen aan het Handelen, Van Patienten? Dat zou je nu toch moeten weten na een jaar stage.

– Ik weet het wel, Dokter. Maar het is nog niet gedaan. Nu dat idee van die tafels en die H erdoor is, begint het gezever opnieuw. Deze keer gaat het over materialen. Als ik zeg zwarte MDF, zegt Odile dat bordverf beter is om op te schrijven en goedkoper ook. Als ik dan voorstel om Re-board te bestellen in Nederland omdat dat licht is en goedkoop, dan zegt Odile dat ik een lokale leverancier moet zoeken: dat is ecologischer. Alsof die lokale leverancier zijn grief niet van elders laat komen! Dat is allemaal wel heel interessant, maar het is ook zo vermoeiend. Odile weet geeneens iets van materialen. Ze kent het verschil nog niet tussen hout, MDF of Re-board. En dan zegt ze nog dat ik mijn hoofd koel moet houden ook! Ja, Dokter, dan begin ik pas echt te koken.

– En toch, Van Patienten, zegt dit veel over het Handelen. Over wat mensen doen, hoe ze het doen en waarom. Ik ken jullie allebei goed genoeg. Als de ene precies weet welk materiaal ze wil, zal de andere eerst gaan kijken welk materiaal er al is. Als de ene vertrekt van het materiaal dat ze mooi vindt, zal de andere zoeken wat meest efficiënt is. Dat is eigen aan het Handelen. Mag ik U nog eens herinneren aan het eerste woordje in de inventaris? Wat staat daar alweer, Van Patienten?

– Geduld, Dokter. Ik weet het wel. Maar Handelen kan soms zo ingewikkeld zijn. En dan heb ik het nog niet gehad over dat boek dat we gaan maken voor de shop/work. En die pijlen! Nog een geluk dat er zich niemand komt moeien met mijn stekjes. Die trekken zelf hun plan. Dat is nog eens een voorbeeld van geduld. Maar nu moet ik gaan. Ik heb al genoeg tijd verloren. Dag Dokter!

– Dag Van Patienten!

Advertenties

Die stekjes

Dag Odile,IMG_1875

Die stekjes voor de shop/work, dat is zo een goed idee. Die naam, shop/work, overigens ook. Het zijn twee ideeën in de overgang: omkeringen die ook bevestigingen zijn. Begonia wordt stekje wordt begonia. Shop wordt work wordt shop. Het zijn beelden van momenten: onvatbaar, altijd anders. Het zijn de inserts waar we al een stage lang op zitten broeden.

Herinner je nog die tekst over de third mind in Rekto/Verso? Het nieuwe komt altijd voort uit interactie. Met goede ideeën is dat net zo. Ik stel voor dat we een reeks ontmoetingen plannen voor de shop/work. Ontmoetingen als interacties, als vruchtbare inserts, als momenten in de overgang.

Hoe gaat het trouwens met je stekjes, Odile? Krijgen ze al worteltjes?

Dag Odile!

Kus,

Odile

 

Bouvard et Pécuchet

Bouvard et Pécuchet, Dokter? Vertel!35388-0

Bouvard et Pécuchet, Van Patienten? Dat is een fascinerend boek. Het is geschreven door Gustave Flaubert. Hij schreef het aan het eind van zijn leven en het vertelt de avonturen van twee kopiisten.

– Kopiisten, Dokter?

– Ja, Flaubert schreef in de negentiende eeuw en toen waren er nog geen kopieermachines en zeker geen computers. Er was toen veel werk voor klerken die niets anders deden dan teksten overschrijven. Kopiëren was hun beroep.

– Wat is er dan zo fascinerend aan het boek, Dokter? Teksten overschrijven klinkt niet echt opwindend.

– Één van de fascinerende dingen aan dit boek is het schrijven zelf. Het proces – of in Uw taal, Van Patienten: de Handeling – van het schrijven. Dat begint bij het kopiëren van teksten en eindigt bij het schrijven van een roman. Bovendien is dit een boek met een begin maar zonder eind. Flaubert had geen tijd om de twee laatste hoofdstukken uit te schrijven. Hij sterft in 1880. De publicatie van zijn manuscript volgt in 1881. Van de laatste twee hoofdstukken staan in het boek enkel de nota’s van Flaubert. We leren daaruit dat Bouvard en Pécuchet opnieuw gaan kopiëren, zoals ze het altijd al hebben gedaan. Alleen doen ze het nu met meer overtuiging. Ze laten zich een dubbele lessenaar bouwen – een lessenaar die zijn eigen kopie al in zich draagt – waar ze samen aan kunnen werken en ze annoteren de gekopieerde teksten onderaan het blad. Met het laatste hoofdstuk wou Flaubert de gebeurtenissen nogmaals overlopen – niet als een kopie deze keer, maar wel als een kritiek van zijn eigen boek. Het is die kritische ingesteldheid die altijd al ontbrak bij de twee kopiisten.

– Wat kan ik me daarbij voorstellen, Dokter, bij die nota’s?

– Die beide laatste hoofdstukken nemen elk telkens één pagina in beslag. Ze sluiten opnieuw aan bij het eerste hoofdstuk waarin de personages elkaar ontmoeten. Het is een hernieuwde voorstelling van de personages.

– Een nieuw begin dus, in plaats van het einde dat er nooit is geweest.

– Eigenlijk wel, ja. Maar het belangrijkste deel van het boek zijn natuurlijk de hoofdstukken die daartussen staan en waarin de protagonisten de overgang maken van een bestaan als kopiist naar een bestaan als kopiist. Dit is een boek in de overgang. Die tussenhoofdstukken, die het grootste deel van het boek vullen, maken het extra interessant. Het geeft dit boek een plaats tussen de dingen.

– Dat is interessant! Handelaars zijn ook tussenpersonen, altijd tussenin: tussen de mensen en tussen de dingen.

– Precies. En het interessante an sich, Van Patienten, dat is misschien wel het eigenlijke onderwerp van dit boek: de inter-esse als een tussen-de-dingen-zijn. Dat is waar het boek mee begint: de attractie van de dingen. De kleine details, de toevallige gelijkenissen zorgen voor de bijzondere aantrekkingskracht tussen de twee mannen. Want op het eerste zicht zijn ze totaal verschillend: de dikke en de dunne, de impulsieve en de voorzichtige. Hun interesse ontstaat in de gelijkenissen: de keuze voor dezelfde bank aan het water, de gewoonte om hun naam – die uiteraard verschilt – in de binnenkant van hun pet te schrijven, een zekere desinteresse voor vrouwen – het andere – en verder is de ene kopiist in een handelszaak en de ander op een ministerie en zijn ze allebei 47 jaar.

– Alsof ze zichzelf ontdekken in de ander.

– Goed gezien, Van Patienten. Bovendien is dit niet het begin van een vriendschap, maar wel degelijk een coup de foudre: het begin van een passionele relatie, van een andere liefde. Allebei hebben ze genoeg van het werk: altijd diezelfde pennen, altijd diezelfde collega’s! Ze hebben genoeg van de monotonie. En terwijl ze zichzelf ontdekken verliezen ze ook een stuk van zichzelf. De balans van deze vriendschap zorgt voor een positieve en een negatieve interest.

– Balans, interest, Dokter: het lijkt wel een boekhoudersboek!

– Dat lijkt alleen maar zo, Van Patienten. Hun liefde is echt wel passioneel. De prille liefde in dat eerste hoofdstuk begint met een openbaring van een mogelijke wereld. Mogelijk, want herkenbaar, maar ook mogelijk, want met zicht op een andere werkelijkheid. Die interesse voor de ander, voor wat verschilt, ontstaat in de herkenning, in wat niet verschilt. Zoals de kennis van Bouvard en Pécuchet ontstaat in de gelijkenis. Het zijn en blijven kopiisten. Ook – of zelfs – als ze hun leven veranderen en de gekopieerde kennis omzetten in de praktijk. Ook dan blijven het kopiisten.

– Hoe verandert hun leven dan, Dokter?

– Ah ja, sorry, dat had ik eigenlijk eerst moeten vertellen. Als de ene een grote som erft van een vergeten nonkel legt de ander zijn spaarcenten bij en kopen ze samen een boerderij in Normandië. Ze gaan er boeren. Niet zoals de boeren die het van generatie op generatie leerden van elkaar, maar wel volgens de boeken. En als ze door de omstandigheden – die natuurlijk niet in de boeken staan – mislukken in de landbouw, verleggen ze hun aandacht naar andere interesses. Als daar zijn: de chemie, de archeologie, de literatuur, de politiek, de liefde, de lichamelijke opvoeding, de religie en de educatie.

– Dat is wel veel om allemaal te leren in één leven. Of in één boek.

– Ja, en er wordt dan ook nogal wat gestunteld in die centrale hoofdstukken. Bouvard en Pécuchet herkennen zichzelf in de en het andere, maar stuiten altijd weer op een verschil. Dat verschil staat voor een tekort, iets dat moet bijgepast worden en dat maakt dat ze moeten blijven bijstellen, proberen, onderhandelen, toenadering zoeken. En dat doen ze met plezier. Ze willen anders worden, zich het verschil eigen maken. Maar het heeft altijd iets stuntelig. Ze zien iets dat er niet is (nog niet, maar dat kan nog komen). Ze doen dingen die ze niet kunnen (nog niet, maar dat komt nog wel). Hun huis zit vol gaten en spleten, het eten trekt op niets, de oogst mislukt en toch zijn ze gelukkig. Ze leven in een fantasie – een andere wereld. Ze laten zich leiden door het boek zonder er echt veel van te leren. Het zal altijd stuntelig blijven zolang ze naar hetzelfde zoeken in de ander. De stunteligheid zal pas overwonnen worden door het zoeken naar het andere in de ander: wat natuurlijk niet in de boeken staat. Door de aanvaarding.

– Aanvaarding, Dokter? Van het stuntelen?

– Zo je wil, Van Patienten. Ik zou eerder zeggen: van het andere. Veel van dat stuntelen is het gevolg van een idealistische opvatting van de kopie. Bouvard en Pécuchet denken dat ze de kennis van de boeken zonder meer kunnen kopiëren en toepassen in hun dagelijkse Handelen. Ze houden geen rekening met het verschil dat eigen is aan elke herhaling. Meer zelfs: het is eigen aan elke kopie, aan het werk dat ze hun hele leven al doen. Daarom keren ze van de praktijk van de landbouw, van de scheikunde, van de liefde en al die andere domeinen van kennis die ze tegenkomen op hun weg uiteindelijk terug naar de praktijk van de kopie: de nulgraad als praktijk, waar de kopie samenvalt met zichzelf als origineel. Die nulgraad bereiken ze aan het einde van het boek. Op dat moment valt ook het boek samen met zichzelf en worden de twee klerken zichzelf in de overtreffende trap. Ze werken niet aan een gewoon individueel bureau, maar wel aan een dubbele, één die de eigen kopie al in zich draagt.

– Oh Dokter, wat kan u toch goed lezen! En het nog zo mooi navertellen ook.

– En pas op, Van Patienten, het is nog niet gedaan. Dit boek eindigt met een Dictionnaire des idées reçues: een woordenboek van gemeenplaatsen. Daarin zit niet zozeer een aanval op de bourgeoisie, maar wel op de petit-bourgeois. Het gaat over een herhaling, een kopie, van de bourgeois op een stuntelige manier: de farce van de bourgeoisie, waarin lieden die het niet kunnen, toch proberen te Handelen zoals de echte. Dit is een boek over het doen alsof. Bouvard en Pécuchet zijn begonnen als kopiisten en zullen ook zo eindigen. Alleen doen ze het nu met meer overtuiging.

– En volgens U begint dat dus allemaal met het schrijfproces. Met het Handelen van de schrijver Gustave Flaubert.

– Dat heb je goed onthouden, Van Patienten. In de nota’s van het laatste hoofdstuk maakt Flaubert zichzelf eigenlijk tot onderwerp van zijn boek. Hij geeft hier een kritiek op zijn eigen boek. De Dictionnaire des idées reçues die daarop volgt, is nog een extra herhaling van het boek. Daar begint de eeuwige wederkeer van het gelijke. Het is een bijlage en ook die is niet af: een extra verzameling nota’s bij een boek in wording.

– Begrijp ik het dan goed, Dokter, dat de lezer hier zelf schrijver moet worden om het boek te voltooien? Ik veronderstel dat niet alles wat U zonet vertelt ook letterlijk in het boek staat. Ik kan dus eigenlijk zonder overdrijven zeggen dat U coauteur bent van dit boek.

– Warempel, Van Patienten! Er schuilt een filosoof in U! Misschien heb je wel gelijk. Maar wat telt voor mij is dat dit boek, meer dan alle andere, de imaginaire praktijk van Flaubert als auteur toont. Dertig jaar heeft hij erover nagedacht. Tien jaar heeft hij eraan geschreven. Vijftienhonderd boeken heeft hij ervoor gelezen. En van daar is hij beginnen kopiëren, vervormen, citeren, verwijzen, spelen, experimenteren, uitvinden, aanpassen, omkeren, vervangen. Zijn imaginaire praktijk is een verborgen – in uw taal: (on)waarneembare – praktijk. Het ontstaat in de omstandigheden. Het is een gebeuren: geen object, geen beeld, geen tekst. Het (ont)staat tussen de dingen. Als een (on)(der)bewuste praktijk.

– Als ik U zo hoor, Dokter, dan lijkt Flaubert wel een soort Bouvard & Pécuchet in één persoon.

– Goed gezien, Van Patienten! Ken je die uitspraak van Flaubert? Madame Bovary, c’est moi. Dat gaat over een ander personage in een eerder boek. Ik had het zo nog niet bekeken. Maar misschien had hij na de publicatie van dit boek wel gezegd: Bouvard et Pécuchet, c’est moi.

– Ja, Dokter, zo ken ik er nog wel een paar. Je est un autre, bijvoorbeeld. Kent U die? Misschien moeten we hier maar stoppen. Niet, Dokter? Het is mooi geweest voor vandaag. Van Patienten ziet U graag.

– ?!?

Potlood en papier

Dag Odile,IMG_1855

Potlood en papier is een geweldig medium. Ik was deze week op bezoek bij Support de Fortune, een project rond toevalsdragers in Recyclart. Daar vertelde iemand over de eerste les aan de tekenacademie. Ze geven je daar een potlood en papier en dan moet je zo snel mogelijk, in enkele seconden, iets tekenen. Dat trekt meestal nergens op. Dus pak je snel je gom en veeg je alles even snel weer uit. Met die Handelingen is je blad gelanceerd, de angst voor het witte blad overwonnen.

Nu dacht ik, Odile, dat boek van ons: kunnen we daar ook geen potlood en papier voor gebruiken? Lijkt me wel mooi om onze stage mee af te ronden en exclusief genoeg om ons als Handelaars te lanceren. Onze verzamelde handschriften en tekenkunsten maken het bovendien ook lekker (on)persoonlijk.

Wat denk je, Odile? Is dat een idee om mee te nemen of om uit te gommen?

Dag Odile!

Kus,

Odile

What a situation!

Greetings Odile!P1060670

What a situation! Picture us standing there on the roof of Parking 58, finding our way with a map of the park of Versailles in our hands. Picture this large surface of concrete through which we have to stretch a path. Headphones on our ears, booklet in our hands. While there is so much to see and hear up there, high in the sky. A bit complicated for common Handlers – pardon: Trainees – as you and me.

To get lost is fun. That we know. The Situationists knew that too. The Doctor told me about them. She explained me that in the fifties and sixties, they searched for more structured and less complicated ways to get lost in the city. To use a map of London in order to find your way through Paris, for example. The difference was that the Situationists had an eye for the city in which they got lost. To get lost was part of the discovery. The Doctor taught me all that. But there is not so much to discover on a parking lot when you only have eyes for the booklet in your hands and ears for the headphones on your head.

Very serious rules are then becoming a little game. A number. A track.

Brussels Tracks is the name of – take a deep breath – An experimental and performative audio guide for the city of Brussels. It is a project by David Helbich. In an interview he talks about his inspiration from the Situationists. Or from Star Trek. Holodeck, please, one of the tracks in his guide, is quite beautiful in all its simplicity. All you have to do is stand at the balustrade of the parking, think that you are on the Holodeck of Star Trek, and look out over the city of Brussels while listening to the sounds of the city of Nablus. You hear chants, the echo of the mountains, pure poetry.

These moments are rather rare in Brussels Tracks. You spend more time finding your way through instructions from the booklet, sounds from the headphones and the interface of the MP3-player. We spent quite some time at City2 because none of us knew how to change the volume. Sweeping to the left or to the right. Very simple, but you have to know.

Here is a list of things, Odile, to remember for our final presentation:

– keep things simple

– do not cut your work in tracks, but present them as much as possible as a whole

– limit instructions to clear and simple rules

– give rules before you start so you can forget them once you start working

– use media only when strictly needed

– search for user friendly tools

– think about your environment: keep it as large as possible

– focus you attention on your environment and not on the instructions

– make participants feel comfortable, protect them, don’t put them on display, but allow them to look with you

– leave room to explore without determining in advance what is important

Ah, where is Ant Hampton when you need him, Odile?

Goodbye Odile!

Kiss,

Odile

 

Dokter?

Dokter?

– Van Patienten!

– Ik heb een probleem…

– Wat nu weer?!

– Gisteren gingen we naar een gesprek over Someone Else, het inspirerende werk van ons grote voorbeeld Ant Hampton. In de uitnodiging was sprake van een ronde tafel, zoals bij de ridders. Maar hier waren de aanwezigen allemaal kunstenaars. En de ronde tafel was eigenlijk de salon van één van de kunstenaars. Ik heb me zelden zo ongemakkelijk gevoeld.

– Je bedoelt natuurlijk (on)gemakkelijk, Van Patienten. Ik begin je een beetje te kennen. Jouw gemak is altijd al deel van je ongemak. Niet waar?

– Niet echt, Dokter. Deze keer was het helemaal anders. Eerst dacht ik ook dat dit wel ging overwaaien, dat ik mijn gemak nog wel zou vinden in mijn (on)gemak. Maar een half uur later was dit (on)tje haar haakjes helemaal kwijt. Ik blokkeerde en kreeg geen woord meer over mijn lippen. En dan hadden we nog twee uur te gaan, Dokter. Dat was pijnlijk.

– Had je dan niets meer te vertellen, Van Patienten? Of was het een kwestie van durf?

– Beide, Dokter. Alles waar ik eerder aan dacht bij dat werk van Ant Hampton leek nu totaal irrelevant. Eerst leek het alsof ik de enige was die het werk begreep. Daarna leek het alsof iedereen over een ander werk praatte.

– Hoezo? Kan je dat uitleggen, Van Patienten?

– Wel, Dokter, u bent eigenlijk de dokter hier. Maar ik zal het proberen. Ik denk dat het iets met ego’s te maken heeft. Iedereen zit daar met een eigen agenda. Net zoals wij: wij houden van dit werk omdat we er zoveel verwantschap in zien met de Handelaars: het kijken naar de ander, de aandacht voor de omgeving, het inleven in de ander,… De eerste opmerkingen rond de tafel, pardon: in het salon, leken dat ook te bevestigen. Maar zeer snel werden ze overschaduwd door gevoelens van verzet en ongeduld. Verzet tegen de opdracht van Ant Hampton om nu zelf de straat op te gaan en een vreemde aan te spreken. Ongeduld omdat het vooraf opgenomen deel van het werk zolang duurt: zo lang dat je daarna geen zin meer hebt om de eigenlijke opdracht nog uit te voeren. In beide gevallen, Dokter, denk ik dat het erom gaat geen afstand te kunnen nemen van het eigen ego. Veel in dit werk steunt op een vorm van overgave: je lot in handen leggen van een ander (de kunstenaar Ant Hampton, de acteurs op de soundtrack, je partner naast je, de passanten aan de andere kant van het raam van de Beursschouwburg,…). Daar voelde ik ook eerst een (on)gemak. Dat is deel van de slimme aanloop van het werk. Het gemak is er gekomen op dat cruciale moment waarop ik die hand voelde op mijn schouder. Dat werkt alleen als je je laat gaan als een stroom in een stroom. Dat is het moment waarop je afstand moet nemen van je ego: je moet het vloeibaar laten worden, laten stromen. Elk verzet is nutteloos daar. Elk verzet is een volharding – wat zeg ik? een verharding – van je ego. Dat is dodend voor dit werk.

– En het ongeduld? Kan je daarover iets zeggen, Van Patienten?

– Wel, Dokter, het is mijn bescheiden mening dat veel in dit werk met tijd heeft te maken. Je hebt tijd nodig om erin te komen en over (of in) je (on)gemak te raken. En ook als je denkt dat het werk is afgelopen moet je de tijd laten werken. Dit werk is eigenlijk nooit afgelopen. Mensen die beweren dat je een tijdskader (een time frame, want het gesprek verliep in het Engels: we zijn in Brussel, onder kunstenaars) nodig hebt voor het uitvoeren van de opdracht hebben niets van dit werk begrepen. En mensen die het opgenomen deel van het werk te lang vinden in verhouding tot de opdracht al evenmin. Je moet de tijd laten werken. De tijd van het werk moet de jouwe worden. Je moet letterlijk je tijd nemen.

– Kan je nog eens vertellen wat de opdracht precies inhoudt?

– Wel, de opdracht is de straat opgaan, een vreemde aanspreken en er een gesprek mee voeren. Wij, als aspirant-Handelaars, herkennen ons daarin. Dat is wat we altijd al willen doen: vragen aan de anderen wat ze doen, hoe ze het doen en waarom ze het doen. Dat is veel moeilijker dan het lijkt. We hebben het geprobeerd in de Beursschouwburg en in de buurt. Niet het aanspreken van anderen is moeilijk. Wel het uitdiepen van het gesprek dat erop volgt: dat blijft heel lang op het niveau van de small talk. Daar moet je doorheen. En daarvoor moet je afstand nemen van je ego om je in te leven in de ander. Dat heeft tijd nodig. Het probleem is dat nogal wat mensen rond de tafel, pardon: in het salon, in al hun ongeduld de opdracht banaliseren. Natuurlijk is het niet moeilijk om een vreemde aan te spreken. Daar is zelfs niet echt veel durf voor nodig. De moeilijkheid – en de durf – schuilt in de diepgang: om het gesprek persoonlijk te maken, om er iets van jezelf in te leggen en zo iets terug te krijgen van de ander. Dat is een heel delicate oefening en daar is veel tijd voor nodig.

– Wat je hier zegt, Van Patienten, klinkt zeer relevant. Waarom heb je dat daar niet in de groep gegooid?

– Omdat ik niet voorbij de ego’s raakte. Diep in mij groeide een verzet tegen het verzet en een ongeduld met het ongeduld.

– Waar zit het probleem dan, Van Patienten? In het ego van de ander? In het verzet en het ongeduld van de ander? Over wiens ego, wiens verzet en wiens ongeduld gaat het hier eigenlijk, Van Patienten?

– Wat nu, Dokter? Is het dan weer allemaal mijn fout?

– Dat zeg ik niet, Van Patienten. Maar wat je vertelt over het ego, het verzet en het ongeduld van de ander blijkt evengoed van toepassing op jouw ego, verzet en ongeduld. En daar is niets mis mee. Dat lijkt me net zeer gezond. het komt er nu op aan om ook aan jouw ego, verzet en ongeduld de tijd en de ruimte te geven die het verdient. Het is helemaal niet erg dat je gisteren niet hebt gesproken. Dit verhaal is nog niet afgelopen. Neem het op jouw ritme, geef het jouw tijd en je zal zien dat je toch nog je gemak zal vinden in je (on)gemak. Allez, onze tijd zit erop. Ga nu maar weer naar huis. De Dokter ziet u graag.

What’s in a name?

Dag Odile,IMG_1835

What’s in a name? In Brussel Deze Week staat een foto van het kruis van Dumitru. Er staat ook een tekstje bij. Blijkt dat de naam op het kruis fout is. Een zekere Corneliu leert de fotograaf dat niet Dumitru in dat tentje woonde, maar wel Nicolae. Zes jaar lang. Ook het geboortejaar blijkt fout: dat moet 1957 zijn, niet 1947.

Zou het kunnen dat Dumitru/Nicolae twee namen had? Misschien was er iemand die zoveel van hem hield dat ie hem een nieuwe naam gaf. In 1957 bijvoorbeeld.

Wat denk je, Odile?

Dag Odile!

Kus,

Odile