Save Dansaert Diversity

Dag Odile,P1060684

Save Dansaert Diversity staat er op de nieuwe affiches bij Stijl. Na de rot-op-poster is het nu de beurt aan de verander-niets-affiche. Na de onverdraagzaamheid volgt nu de conservatieve reflex.

Deze roep om diversiteit klinkt een beetje vreemd na dat stuk in Brussel Deze Week. Ging het daar net niet over minder diversiteit? Sprak Sonia zich daar niet uit tegen de Lidl aan het Goriksplein? En werd die filosofie niet gesteund door Schepen voor Handelaars Lemesre die minder bel- en nachtwinkels wil aan het einde van de Dansaertstraat?

Als je dan echt voor diversiteit bent, waarom vraag je dan niet meteen meer diversiteit? Dat wordt moeilijk want dan is er in deze wijk, naast de Lidl en de nachtwinkels, ook plaats voor Cos. Het gaat hier echter niet over meer diversiteit, maar wel over het behoud van de diversiteit die er al is. Dat lijkt me een beetje mager. Dan had de slogan moeten zijn: Safe Dansaert Diversity.

Want hoe divers is die diversiteit dan wel? Alle sympathie voor Au Fond, het restaurant dat plaats moet ruimen voor de supermarkt van Cos, maar toen Claude daar nog zat met La Cigogne was dit een buurtrestaurant. Nu is dit het stijlvolle restaurant voor de shoppers van de Dansaertstraat en zit Claude met zijn democratisch café-restaurant in de Vlaamsesteenweg. Als het gaat over diversiteit scoort Claude hoger dan Au Fond.

Gentrification heet de slinkende diversiteit – pardon: diversity – waarvan de Dansaertstraat en -wijk het slachtoffer is. Het zijn de regels van de markt. Winkels als Stijl hebben andere zaken aangetrokken die de huurprijzen in de wijk twintig jaar later naar ongeziene hoogten duwen. Vandaag kunnen enkel grote ketens zich die prijzen nog veroorloven. De komst van Cos is net het gevolg van te weinig diversiteit in deze straat.

Één van de zaken die de Dansaertstraat mee groot maakte is overigens Le Pain Quotidien. Vandaag is dat een internationale keten met vestigingen van Londen tot New York. Zullen we die dan ook maar uit de straat gooien? Door Le Pain Quotidien ziet de wereld er immers overal een beetje hetzelfde uit. Wie sprak er alweer over diversiteit? Het gaat hier helemaal niet over diversiteit, maar over stijl. Dat is zeer eng.

Waarom is de slogan op die meertalige affiches overigens altijd in het Engels, Odile? Klinkt dat beter bij het metropolitaan gegentrificeerde publiek van de Dansaertstraat?

Wat zeggen wij dan, Odile? Fuck Dansaert Diversity! There is no such thing as Dansaert Diversity!

Et maintenant, casse-toi Odile!

Bisou,

 

Odile

Advertenties

Het wordt een work/shop!

Dag Odile,Screen Shot 2015-05-25 at 10.33.41

Het wordt een work/shop! De shop/work eindigt met een work/shop. Ik heb het daarnet gelezen in de nieuwsbrief van garage64.

Perfect einde toch, voor onze Stage? En een mooi begin voor ons leven als Handelaars. Dat is wat we altijd al hebben gewild: workshops. Het was ons eerste idee voor deze stage. Maar het bleek nogal vroeg om daar meteen al mee te beginnen. We waren nog niet klaar om dat zelf te organiseren. En tegelijkertijd merkten we dat er al zoveel workshops waren: iedereen heeft wel een plek – een bureau, een café, een atelier, een winkel – om te doen wat je wil doen. Dus dachten we een jaar geleden: we bezoeken die bestaande plekken om te werken – die ateliers, werkwinkels: workshops – om er te kijken naar en te leren van de Handelingen die daar gebeuren. Zo bewoog onze stage van workshop naar workshop. En van het een komt het ander: nu hebben we eindelijk een échte workshop in onze eigen shop/work.

Want Fairuz en Maaike van garage64 zijn van ons: we hebben ze veel gezien tijdens onze stage. We maakten inserts samen. In verschillende formaten, op verschillende dragers en in verschillende oplagen. Maar wat al die inserts gemeen hebben is dat ze altijd opgaan in een omgeving. Grote posters verdwijnen in de architectuur, kleine kaartjes verdwijnen in een vestzak: de olifant in de kamer en de luis in de pels. We werken nu samen aan een boek om al die inserts van het afgelopen jaar te bewaren voor later: een jaarboek voor de toekomst.

Dat boek en die inserts is trouwens ook nog werk voor de shop/work. Kelly en Pieter van Schacht/Van Bogaert gaan daarmee werken, samen en apart. En er zijn nog vele andere gasten om te ontmoeten in de shop/work: Lieve en Aaf van het onthaal en An en Margareta en Yasmina van communicatie en Helena van programmatie, allemaal Handelaars van de Beursschouwburg. En Ann komt van Cabinet. En Fred van CutMe. En Kristien van Support de Fortune. En misschien nog meer volk. En er komt een Handelaarsfeestje voor iedereen om het einde van de Stage te vieren.

Zet het in uw agenda, Odile: 10 tot 20 juni, van donderdag tot zaterdag, tussen 12 en 20u: shop/work in de Beursschouwburg. Met een work/shop om te eindigen. Meer nieuws als er is.

Ik zal er ook zijn.

Dag Odile!

Kus,

 

Odile

Leren wat je niet weet

Leren wat je niet weet. Waarom toch al die moeite? Hebt u daar nooit een boekje over gelezen, Dokter?

– Zeker, Van Patienten. Je bent niet de enige die zich daar het hoofd over breekt. De traditie zegt dat de klassieke manier van leren vertrekt van de wil en leidt naar de emancipatie: waar een wil is, is een weg. Een weg naar een ander, in het beste geval: beter, leven. Ik heb hier een boekje van een Franse filosoof, Jacques Rancière: De onwetende meester. Het gaat over een Franse professor, Joseph Jacotot, die les gaat geven in een Vlaamse school. De eerste taak waar hij zich voor ziet geplaatst, is het vinden van een gemeenschappelijke taal. De professor moet zich verstaanbaar maken bij zijn leerlingen. Daarom geeft hij ze twee exemplaren van dezelfde tekst. De ene in het Nederlands en de andere in het ranciereignorantFrans. Zo kunnen ze vergelijken en achterhalen welk woord te vertalen door welk ander woord. Jacotot maakt van zijn onwetendheid een deugd en
onderricht zonder enige vorm van kennis door te geven. Wat hij wel doorgeeft is het instrument om die kennis te verwerven. Hij toont als onwetende de weg om de kwaliteiten die je al bezit aan het werk te zetten.

– Grappig: de leerling weet hier meer dan de meester.

– Ja en nee. De leerling weet andere dingen dan de meester. Jacotot vertrekt van het principe van de intellectuele gelijkheid. Dat is totaal tegenovergesteld aan het traditionele onderwijs, dat vertrekt van de ongelijkheid tussen de leerling en de leraar. Die ongelijkheid eindeloos in stand houden leidt volgens Jacotot naar domheid en afstomping. Jacotot’s principe van de gelijkheid is een axioma dat voortdurend moet geverifieerd worden. Het is de basisvoorwaarde voor de intellectuele emancipatie.

– Maar van Bouvard et Pécuchet herinner ik me toch dat je niet zomaar alles kan leren uit de boeken? Het instrument alleen is niet voldoende. Er hoort ook een ervaring bij.

– Daarom was Jacotot zijn tijd ver vooruit. Het verhaal van De onwetende meester situeert zich aan het begin van de negentiende eeuw, rond 1830. Dat van Bouvard et Pécuchet komt pas aan het eind van de eeuw, in 1880. Tussen die twee verhalen ontstaat aan de andere kant van de oceaan nog een heel ander Bartleby_the_Scrivenerverhaal. Dat van Bartleby, de klerk van Herman Melville die er op een bepaald moment de voorkeur aan geeft niet meer te kopiëren.

– Nog een kopiist? Net als Bouvard et Pécuchet! Maar de methode van Jacotot is er toch geen van kopiëren? Het is er een van vergelijken.

– Dat klopt. Maar Bartleby is om een andere reden interessant. Melville publiceert zijn novelle in 1853 en de positieve weigering van zijn personage werkt nog lang door in veel filosofische boeken. Één van de recente boeken in die reeks is van een Amerikaanse filosoof, John Paul Ricco: The logic of the lure. Het gaat over een (on)persoonlijke vorm van leren. Het gaat over de weigering, of liever: de voorkeur (en niet de wil) om iets niet te doen.0226711013

– En wat heeft dat met Bartleby te maken, Dokter?

– Wel, de voorkeur om iets niet te doen zit vervat in dat ene emblematische zinnetje dat Bartleby altijd maar blijft herhalen: I prefer not to. Het duidt op een voorkeur om niet te spreken. Het is een in zichzelf geplooide vorm van spreken. Zo raakt Ricco voorbij het primaat van de wil en het doelgerichte leren van Rancière en Jacotot. Dat begint bij het loslaten, bij de overgave aan een andere realiteit, een andere pedagogie die voorbij gaat aan de tekst, waar de tekst niet meer is dan een parenthese, altijd tussen. Ricco wijst de weg naar een ongeoorloofde pedagogische praktijk met onbepaalde dingen als onderwerp. Een pedagogie die zich radicaal buiten de dingen zet. Voorbij de dialectiek van binnen en buiten: een interval, ondertussen, ernaast en toch erin.

– Ik weet niet of ik het allemaal goed begrijp. Maar ik heb wel eens iets gelezen IMG_1014over de techniek van de dichter, die om zijn thema heen draait zonder het te benoemen. De dichter kneedt de taal. Hij Handelt met taal. Hij zet de taal naar zijn hand. Zoiets?

– Zoiets, ja. John Paul Ricco schrijft op een dichterlijke manier. Meer dan theorie noemt hij het zelf een vorm van poëzie, van erotiek. Net als in de erotiek is het onwaarneembare het object van het verlangen. Daar zit de verlokking – the lure – uit de titel. The logic of the lure begint als een zelfportret, in een zeer (on)persoonlijke ruimte: een darkroom in New York. Een ruimte om je over te geven aan de onzichtbare ander – op de tast, als een blinde. Van daar gaat het verder naar de kunst – het zichtbare – om ergens uit te komen in de buurt van het academische: het lees- en leerbare. Leren heeft hier met ruimtes te maken, met situaties die lokken en aantrekken. Het heeft met tijd te maken: met wachten, je overgeven aan de dingen.

– Met geduld dus. Daar weten wij als Stagiairs ondertussen alles van.

– Precies. Dit boek gaat – net als jullie Stage overigens – voorbij aan de wil en het verlangen. Het laat de dingen gebeuren. Terugkerende handelingen zijn de positieve weigering of de negatieve affirmatie: de voorkeur (en niet de wil) om iets niet te doen. Jullie spel met de (on)tjes schuurt daar dicht tegenaan. Veel speelt zich af op de grens van het zichtbare en het onzichtbare: het onwaarneembare. Tussen het bewuste en het onbewuste, tussen slapen en waken, ligt de wereld van de erotiek, van het stotteren, de hapering, het vergeten leren.

– En hoe brengt u dat alweer in verband met de ruimte? Dat is ook belangrijk voor ons. Wij willen een boek maken dat werkt als een ruimte. Dat is ons project voor de shop/work.

– Ook hier moet je de verbeelding laten werken, Van Patienten. Bij Ricco gaat het immers dikwijls over niet-ruimte. Wat jullie (on)ruimte zouden noemen. Ricco heeft het over een vorm van radical exteriority: een buiten dat buiten het buiten valt. Een buiten dat elke binnen-buiten dialectiek ongedaan maakt. Een atopische, duizelingwekkende plaats.

– Pardon?

– De notie van binnen en buiten heeft met een relatie te maken. Je bent altijd binnen of buiten ten opzichte van iets anders. Het radicale buiten waar Ricco over schrijft is een relatie die er geen meer is: niet binnen, niet buiten, maar binnen-buiten. Hij heeft het over being with-out: niet being with (een relatie), ook niet being without (geen relatie), maar being with-out (een niet relationele relatie). Het is een buiten dat zich situeert buiten elk buiten, een buiten dat komt. Om je dat buiten als relatie voor te stellen kan je denken aan een boot: altijd onderweg, altijd tussenin. Of aan de spiegel: wat de ene plaats met de andere verbindt, de overgang tussen twee ruimtes. De spiegel is een scherm, een vorm van marginale architectuur. Of niet echt een vorm, maar meer een kracht: vluchtig, poëtisch, erotisch. Die spiegel maakt van elk van die ruimtes een zelfportret. Het creëert in elk van die ruimtes een plaats voor het zelf. Trouwens, nu ik eraan denk: jij maakte toch ook zo een spiegel als scherm tussen, of naast, of buiten twee ruimtes voor je laatste tentoonstelling?

– Die spiegel gaat al langer mee, Dokter. Maar u ziet dus in die spiegel een ruimte die er geen is? Een verbinding zonder ruimte? Misschien moet ik hem meenemen naar de shop/work

– Ik zou het eerder een ruimte in wording noemen. Of in (on)wording misschien, om nog maar eens uw taal te gebruiken. Ricco heeft het over een coming of architecture without becoming architecture: een unbecoming architecture. Het is een vorm van marginale architectuur, zoals het kamerscherm waar Bartleby zich op een bepaald moment achter gaat verstoppen. Een architectuur die je niet als zodanig herkent. Een vormloze, informele architectuur, een beetje nonchalant, zoals jouw spiegel: niet binnen, ook niet buiten, maar wel een overgang tussen binnen en buiten. Een ad hoc architectuur, bepaald door de omstandigheden en niet door de architect. Een architectuur die je overkomt, niet één die je maakt. Dat unbecoming van de architectuur maakt ze onwaarneembaar: je kijkt erover, erdoor. Maar het maakt het ook beweeglijk, vluchtig.

– Die ruimtes waar u naar verwijst lijken wel altijd zeer artificieel, Dokter.

– Het hangt ervan af hoe je het bekijkt. De cruising ground, ontmoetingsplaatsen voor mannen zoals in het Warandepark hier in Brussel, is voor Ricco zo een vorm van beweeglijke architectuur. Het is een zeer concrete en toch plaatsloze plaats waar het zelf ruimte wordt: je wordt deel van de ruimte en vergeet jezelf. Dat noemt Ricco een niet suïcidaal onworden (unbecoming) van het zelf: een naast jezelf zijn.

– Dus dat van die wil van daarnet kunnen we nu wel helemaal vergeten: leren is iets dat je overkomt.

– Voor Ricco wel, ja. Je wordt aangetrokken tot het oneindige buiten door whatever lures you: een erotische ervaring. Het is een vorm van wachten zonder verwachting: een onvervulbaar wachten. Het heeft iets te maken met ascese: een becoming through the refusal of baggage. De darkroom waar Ricco zijn boek mee begint, is een buiten, buiten het buiten: een gemeenschap van zij die niets gemeen hebben. Passanten zonder bagage.

– Dat wil ik wel geloven. Die mannen in de darkroom hebben zelfs geen kleren aan!

– Jaja, Van Patienten. Het is niet dat soort verbeelding die Ricco aan het werk wil zetten. Allez, of toch niet alleen. Het is veel poëtischer dan dat. Ricco geeft nog andere voorbeelden van een verdwenen, ascetische, esthetiek, zoals Blue, de laatste film van Derek Jarman. Jarman maakte de film toen hij nagenoeg blind was. Zijn film bestaat uit één lang aangehouden monochroom blauw beeld: niet zichtbaar, niet onzichtbaar, maar onwaarneembaar. Het is een film die liever niet (prefers not to) een film is. Een film die niets visualiseert, behalve een potentieel of een voorkeur om niet te visualiseren. Een niet positieve affirmatie. Een film die zich naar de dood toewerkt en op het punt staat zichzelf te verliezen.derek_jarman_blue_derek_jarman_curated_by_isaac_julien_2008_1

– Hoe waren we daar weer op gekomen, Dokter?

– Wel, het ging over leren. Dat bracht me bij John Paul Ricco. Hij ijvert voor een vorm van Queer Pedagogy: leren in een ruimte waar niemand op zijn plaats zou moeten zijn. Het gaat over microscopische vormen van leren en herleren, de oneindige onderhandelingen waarmee we de wereld ontleren. Daarom eindigt het boek van Ricco in de slaapkamer, als een test voor de limieten van de pedagogie.

– Hahaha, leren in de slaapkamer, Dokter: slapen maakt vrij. Weet u nog?

– Ja, maar dat is hier wel ernstige materie hoor, Van Patienten! Die slaapkamer van Ricco past bij zijn kritische blik op de instellingen. Hij zoekt een pedagogische praktijk die voorbij gaat aan de institutionele ruimtes, zonder ze daarom uit het oog te verliezen: de slaapkamer is voor hem even belangrijk als het auditorium. Hij zoekt een anonieme, onwaarneembare, beweeglijke praktijk. Het is zijn verzet tegen de norm: de recente academisering van Queer Pedagogy – meestal heet dat dan Queer Studies – is een manier van controle, die leidt naar disciplinering. Voor Ricco is Queer Pedagogy per definitie vrij, voor altijd tussen: ware inter-esse.

– Een beetje zoals wij werken in en rond – of mag ik zeggen: tussen? – de Beursschouwburg: een instelling waarin we ons met een kritische blik bewegen zoals in een stad. Nu u het zegt, Dokter: in de aanloop naar de shop/work mogen we het appartement van de Beursschouwburg gebruiken. Zo eindigt onze Stage ook in de slaapkamer: Queer Pedagogy!

– Jaja, Van Patienten. Je hebt het weer goed begrepen. Ga nu maar naar huis. De dokter ziet u graag.

Un bal fait pas de mal

Dag Odile,IMG_1940

Weet je wat er zo fijn is aan die stage? Dat je nog eens op plaatsen komt waar je anders niet binnen raakt. Zoals op de bijeenkomst van de buren van de Vlaamsesteenweg.

Het begon eigenlijk een week of twee geleden als een heuse Handelaarsvergadering – en nee, wij zitten daar voor niets tussen: dat komt allemaal vanzelf – en eindigt als een burenbijeenkomst en binnenkort ook een feest. De eerste vergadering was een soort reactie op het weekend van de Handelaars in de Lepagestraat. Die van de Vlaamsesteenweg waren daar ook graag bij geweest. Maar die van de Lepagestraat konden daar geen ja op zeggen want dan moesten ze ook ja zeggen tegen die van de Dansaertstraat die er ook bij willen zijn en dat willen die van de Lepagestraat dan weer niet. Ingewikkeld en eigenlijk ook niet: de kleintjes en de grote. Lepage en Dansaert. Dansaert en Cos. En uiteindelijk blijft iedereen alleen achter.

Weet je wat er zo fijn is aan die bijeenkomst in de Vlaamsesteenweg? Dat het niet enkel over de traditionele Handelaars gaat, maar ook over de bewoners van de straat. Die zitten hier allemaal samen rond de tafel. En in plaats van een zoveelste shopweekend krijg je dan een nieuw buurtfeest. 29 mei is de datum. Vanaf 17u eten en drinken in de straat en vanaf 20u30 bal in La Bellone. Un bal fait pas de mal, zeggen ze dan in de Vlaamsesteenweg.

En echt waar: wij zitten daar voor niets tussen. Maar we waren er wel bij. En we zagen hoe dat idee van de Handelaars werd opengetrokken: van ondernemingen met een Handelszaak en een vitrine naar bewoners die Handelen op een andere manier. Van een commerciële vorm van zelfpromotie naar het samenwerken aan een aangename straat om in te werken en te wonen. Daarin is de Vlaamsesteenweg groot: in het samenbrengen van kleine dingen. Bij de jaarlijkse brocante is dat ook zo: alle mensen van de straat – winkeliers, cafébazen, artisanalen en bewoners – tonen zich dan als Handelaars.

Die ongedwongen manier van Handelen, dat doet niemand ze na. Daar is geen overtreffende trap van. En baat het niet, dan schaadt het niet. zo is de filosofie van de Vlaamsesteenweg: Un bal fait pas de mal.

Alleen raar dat er één week eerder nog een feest is. Van die in het tweede deel van de straat. Ik stel voor dat we naar beide feesten gaan. Un bal fait pas de mal. En twee bals ook niet.

Dag Odile!

Kus,

 

Odile

Die Sonia toch!

Dag Odile,IMG_1915

Die Sonia toch! Wie begrijpt dat mens nog? Eerst komt ze bij Fred zagen of ze ook zo een pijl krijgt van zijn déviation/omlegging. Op zo een moment is iedereen verbaasd dat zij erbij wil horen. Zij, Sonia, de oerhandelaar die de Dansaertstraat en de wijk die er ondertussen naar heet op de kaart zette. En nu deelt ze zelf affiches uit tegen de komst van Cos naar de Dansaertstraat. Het luxueuze zusje van H&M, zo heet Cos in de krant. En toeval of niet, maar die rot-op-affiches hebben bijna net dezelfde kleur als die ik-hoor-er-ook-bij-pijlen van Fred. Kan je nog volgen?

Wie bepaalt hier eigenlijk wie erbij hoort en wie niet? Sonia? Als het aan haar ligt mag de Lidl aan het Goriksplein ook opkrassen. Dat past toch niet in het imago van de wijk waar zij al zo lang aan timmert! Ze vindt een medestander in de Brusselse Schepen voor Handelaars, Marion Lemesre. Die nachtwinkels op het eind van de Dansaertstraat? Geef die ook maar aan de arme Brusselse ontwerpers. Goede smaak heeft deze straat nodig. Wat zeg ik? Stijl! That is what this neighbourhood needs!

Leg dat maar eens uit aan die arme Belgische ontwerpers in de buurt die de deuren sluiten omdat ze de huur niet meer kunnen betalen. Franse modeketens betalen beter. Hoe komt dat? Omdat stijl is gaan bepalen wie erbij hoort en wie niet. Stijl is alles hier. En Cos? Dat heeft geen stijl. Je zou voor minder gaan sympathiseren met een Zweedse multinational.

Wat vinden wij trouwens van de stijl van die affiches, Odile?

Dag Odile!

Kus,

 

Odile