Leren wat je niet weet

Leren wat je niet weet. Waarom toch al die moeite? Hebt u daar nooit een boekje over gelezen, Dokter?

– Zeker, Van Patienten. Je bent niet de enige die zich daar het hoofd over breekt. De traditie zegt dat de klassieke manier van leren vertrekt van de wil en leidt naar de emancipatie: waar een wil is, is een weg. Een weg naar een ander, in het beste geval: beter, leven. Ik heb hier een boekje van een Franse filosoof, Jacques Rancière: De onwetende meester. Het gaat over een Franse professor, Joseph Jacotot, die les gaat geven in een Vlaamse school. De eerste taak waar hij zich voor ziet geplaatst, is het vinden van een gemeenschappelijke taal. De professor moet zich verstaanbaar maken bij zijn leerlingen. Daarom geeft hij ze twee exemplaren van dezelfde tekst. De ene in het Nederlands en de andere in het ranciereignorantFrans. Zo kunnen ze vergelijken en achterhalen welk woord te vertalen door welk ander woord. Jacotot maakt van zijn onwetendheid een deugd en
onderricht zonder enige vorm van kennis door te geven. Wat hij wel doorgeeft is het instrument om die kennis te verwerven. Hij toont als onwetende de weg om de kwaliteiten die je al bezit aan het werk te zetten.

– Grappig: de leerling weet hier meer dan de meester.

– Ja en nee. De leerling weet andere dingen dan de meester. Jacotot vertrekt van het principe van de intellectuele gelijkheid. Dat is totaal tegenovergesteld aan het traditionele onderwijs, dat vertrekt van de ongelijkheid tussen de leerling en de leraar. Die ongelijkheid eindeloos in stand houden leidt volgens Jacotot naar domheid en afstomping. Jacotot’s principe van de gelijkheid is een axioma dat voortdurend moet geverifieerd worden. Het is de basisvoorwaarde voor de intellectuele emancipatie.

– Maar van Bouvard et Pécuchet herinner ik me toch dat je niet zomaar alles kan leren uit de boeken? Het instrument alleen is niet voldoende. Er hoort ook een ervaring bij.

– Daarom was Jacotot zijn tijd ver vooruit. Het verhaal van De onwetende meester situeert zich aan het begin van de negentiende eeuw, rond 1830. Dat van Bouvard et Pécuchet komt pas aan het eind van de eeuw, in 1880. Tussen die twee verhalen ontstaat aan de andere kant van de oceaan nog een heel ander Bartleby_the_Scrivenerverhaal. Dat van Bartleby, de klerk van Herman Melville die er op een bepaald moment de voorkeur aan geeft niet meer te kopiëren.

– Nog een kopiist? Net als Bouvard et Pécuchet! Maar de methode van Jacotot is er toch geen van kopiëren? Het is er een van vergelijken.

– Dat klopt. Maar Bartleby is om een andere reden interessant. Melville publiceert zijn novelle in 1853 en de positieve weigering van zijn personage werkt nog lang door in veel filosofische boeken. Één van de recente boeken in die reeks is van een Amerikaanse filosoof, John Paul Ricco: The logic of the lure. Het gaat over een (on)persoonlijke vorm van leren. Het gaat over de weigering, of liever: de voorkeur (en niet de wil) om iets niet te doen.0226711013

– En wat heeft dat met Bartleby te maken, Dokter?

– Wel, de voorkeur om iets niet te doen zit vervat in dat ene emblematische zinnetje dat Bartleby altijd maar blijft herhalen: I prefer not to. Het duidt op een voorkeur om niet te spreken. Het is een in zichzelf geplooide vorm van spreken. Zo raakt Ricco voorbij het primaat van de wil en het doelgerichte leren van Rancière en Jacotot. Dat begint bij het loslaten, bij de overgave aan een andere realiteit, een andere pedagogie die voorbij gaat aan de tekst, waar de tekst niet meer is dan een parenthese, altijd tussen. Ricco wijst de weg naar een ongeoorloofde pedagogische praktijk met onbepaalde dingen als onderwerp. Een pedagogie die zich radicaal buiten de dingen zet. Voorbij de dialectiek van binnen en buiten: een interval, ondertussen, ernaast en toch erin.

– Ik weet niet of ik het allemaal goed begrijp. Maar ik heb wel eens iets gelezen IMG_1014over de techniek van de dichter, die om zijn thema heen draait zonder het te benoemen. De dichter kneedt de taal. Hij Handelt met taal. Hij zet de taal naar zijn hand. Zoiets?

– Zoiets, ja. John Paul Ricco schrijft op een dichterlijke manier. Meer dan theorie noemt hij het zelf een vorm van poëzie, van erotiek. Net als in de erotiek is het onwaarneembare het object van het verlangen. Daar zit de verlokking – the lure – uit de titel. The logic of the lure begint als een zelfportret, in een zeer (on)persoonlijke ruimte: een darkroom in New York. Een ruimte om je over te geven aan de onzichtbare ander – op de tast, als een blinde. Van daar gaat het verder naar de kunst – het zichtbare – om ergens uit te komen in de buurt van het academische: het lees- en leerbare. Leren heeft hier met ruimtes te maken, met situaties die lokken en aantrekken. Het heeft met tijd te maken: met wachten, je overgeven aan de dingen.

– Met geduld dus. Daar weten wij als Stagiairs ondertussen alles van.

– Precies. Dit boek gaat – net als jullie Stage overigens – voorbij aan de wil en het verlangen. Het laat de dingen gebeuren. Terugkerende handelingen zijn de positieve weigering of de negatieve affirmatie: de voorkeur (en niet de wil) om iets niet te doen. Jullie spel met de (on)tjes schuurt daar dicht tegenaan. Veel speelt zich af op de grens van het zichtbare en het onzichtbare: het onwaarneembare. Tussen het bewuste en het onbewuste, tussen slapen en waken, ligt de wereld van de erotiek, van het stotteren, de hapering, het vergeten leren.

– En hoe brengt u dat alweer in verband met de ruimte? Dat is ook belangrijk voor ons. Wij willen een boek maken dat werkt als een ruimte. Dat is ons project voor de shop/work.

– Ook hier moet je de verbeelding laten werken, Van Patienten. Bij Ricco gaat het immers dikwijls over niet-ruimte. Wat jullie (on)ruimte zouden noemen. Ricco heeft het over een vorm van radical exteriority: een buiten dat buiten het buiten valt. Een buiten dat elke binnen-buiten dialectiek ongedaan maakt. Een atopische, duizelingwekkende plaats.

– Pardon?

– De notie van binnen en buiten heeft met een relatie te maken. Je bent altijd binnen of buiten ten opzichte van iets anders. Het radicale buiten waar Ricco over schrijft is een relatie die er geen meer is: niet binnen, niet buiten, maar binnen-buiten. Hij heeft het over being with-out: niet being with (een relatie), ook niet being without (geen relatie), maar being with-out (een niet relationele relatie). Het is een buiten dat zich situeert buiten elk buiten, een buiten dat komt. Om je dat buiten als relatie voor te stellen kan je denken aan een boot: altijd onderweg, altijd tussenin. Of aan de spiegel: wat de ene plaats met de andere verbindt, de overgang tussen twee ruimtes. De spiegel is een scherm, een vorm van marginale architectuur. Of niet echt een vorm, maar meer een kracht: vluchtig, poëtisch, erotisch. Die spiegel maakt van elk van die ruimtes een zelfportret. Het creëert in elk van die ruimtes een plaats voor het zelf. Trouwens, nu ik eraan denk: jij maakte toch ook zo een spiegel als scherm tussen, of naast, of buiten twee ruimtes voor je laatste tentoonstelling?

– Die spiegel gaat al langer mee, Dokter. Maar u ziet dus in die spiegel een ruimte die er geen is? Een verbinding zonder ruimte? Misschien moet ik hem meenemen naar de shop/work

– Ik zou het eerder een ruimte in wording noemen. Of in (on)wording misschien, om nog maar eens uw taal te gebruiken. Ricco heeft het over een coming of architecture without becoming architecture: een unbecoming architecture. Het is een vorm van marginale architectuur, zoals het kamerscherm waar Bartleby zich op een bepaald moment achter gaat verstoppen. Een architectuur die je niet als zodanig herkent. Een vormloze, informele architectuur, een beetje nonchalant, zoals jouw spiegel: niet binnen, ook niet buiten, maar wel een overgang tussen binnen en buiten. Een ad hoc architectuur, bepaald door de omstandigheden en niet door de architect. Een architectuur die je overkomt, niet één die je maakt. Dat unbecoming van de architectuur maakt ze onwaarneembaar: je kijkt erover, erdoor. Maar het maakt het ook beweeglijk, vluchtig.

– Die ruimtes waar u naar verwijst lijken wel altijd zeer artificieel, Dokter.

– Het hangt ervan af hoe je het bekijkt. De cruising ground, ontmoetingsplaatsen voor mannen zoals in het Warandepark hier in Brussel, is voor Ricco zo een vorm van beweeglijke architectuur. Het is een zeer concrete en toch plaatsloze plaats waar het zelf ruimte wordt: je wordt deel van de ruimte en vergeet jezelf. Dat noemt Ricco een niet suïcidaal onworden (unbecoming) van het zelf: een naast jezelf zijn.

– Dus dat van die wil van daarnet kunnen we nu wel helemaal vergeten: leren is iets dat je overkomt.

– Voor Ricco wel, ja. Je wordt aangetrokken tot het oneindige buiten door whatever lures you: een erotische ervaring. Het is een vorm van wachten zonder verwachting: een onvervulbaar wachten. Het heeft iets te maken met ascese: een becoming through the refusal of baggage. De darkroom waar Ricco zijn boek mee begint, is een buiten, buiten het buiten: een gemeenschap van zij die niets gemeen hebben. Passanten zonder bagage.

– Dat wil ik wel geloven. Die mannen in de darkroom hebben zelfs geen kleren aan!

– Jaja, Van Patienten. Het is niet dat soort verbeelding die Ricco aan het werk wil zetten. Allez, of toch niet alleen. Het is veel poëtischer dan dat. Ricco geeft nog andere voorbeelden van een verdwenen, ascetische, esthetiek, zoals Blue, de laatste film van Derek Jarman. Jarman maakte de film toen hij nagenoeg blind was. Zijn film bestaat uit één lang aangehouden monochroom blauw beeld: niet zichtbaar, niet onzichtbaar, maar onwaarneembaar. Het is een film die liever niet (prefers not to) een film is. Een film die niets visualiseert, behalve een potentieel of een voorkeur om niet te visualiseren. Een niet positieve affirmatie. Een film die zich naar de dood toewerkt en op het punt staat zichzelf te verliezen.derek_jarman_blue_derek_jarman_curated_by_isaac_julien_2008_1

– Hoe waren we daar weer op gekomen, Dokter?

– Wel, het ging over leren. Dat bracht me bij John Paul Ricco. Hij ijvert voor een vorm van Queer Pedagogy: leren in een ruimte waar niemand op zijn plaats zou moeten zijn. Het gaat over microscopische vormen van leren en herleren, de oneindige onderhandelingen waarmee we de wereld ontleren. Daarom eindigt het boek van Ricco in de slaapkamer, als een test voor de limieten van de pedagogie.

– Hahaha, leren in de slaapkamer, Dokter: slapen maakt vrij. Weet u nog?

– Ja, maar dat is hier wel ernstige materie hoor, Van Patienten! Die slaapkamer van Ricco past bij zijn kritische blik op de instellingen. Hij zoekt een pedagogische praktijk die voorbij gaat aan de institutionele ruimtes, zonder ze daarom uit het oog te verliezen: de slaapkamer is voor hem even belangrijk als het auditorium. Hij zoekt een anonieme, onwaarneembare, beweeglijke praktijk. Het is zijn verzet tegen de norm: de recente academisering van Queer Pedagogy – meestal heet dat dan Queer Studies – is een manier van controle, die leidt naar disciplinering. Voor Ricco is Queer Pedagogy per definitie vrij, voor altijd tussen: ware inter-esse.

– Een beetje zoals wij werken in en rond – of mag ik zeggen: tussen? – de Beursschouwburg: een instelling waarin we ons met een kritische blik bewegen zoals in een stad. Nu u het zegt, Dokter: in de aanloop naar de shop/work mogen we het appartement van de Beursschouwburg gebruiken. Zo eindigt onze Stage ook in de slaapkamer: Queer Pedagogy!

– Jaja, Van Patienten. Je hebt het weer goed begrepen. Ga nu maar naar huis. De dokter ziet u graag.

Advertenties

2 thoughts on “Leren wat je niet weet”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s