Het wordt een work/shop!

Dag Odile,Screen Shot 2015-05-25 at 10.33.41

Het wordt een work/shop! De shop/work eindigt met een work/shop. Ik heb het daarnet gelezen in de nieuwsbrief van garage64.

Perfect einde toch, voor onze Stage? En een mooi begin voor ons leven als Handelaars. Dat is wat we altijd al hebben gewild: workshops. Het was ons eerste idee voor deze stage. Maar het bleek nogal vroeg om daar meteen al mee te beginnen. We waren nog niet klaar om dat zelf te organiseren. En tegelijkertijd merkten we dat er al zoveel workshops waren: iedereen heeft wel een plek – een bureau, een café, een atelier, een winkel – om te doen wat je wil doen. Dus dachten we een jaar geleden: we bezoeken die bestaande plekken om te werken – die ateliers, werkwinkels: workshops – om er te kijken naar en te leren van de Handelingen die daar gebeuren. Zo bewoog onze stage van workshop naar workshop. En van het een komt het ander: nu hebben we eindelijk een échte workshop in onze eigen shop/work.

Want Fairuz en Maaike van garage64 zijn van ons: we hebben ze veel gezien tijdens onze stage. We maakten inserts samen. In verschillende formaten, op verschillende dragers en in verschillende oplagen. Maar wat al die inserts gemeen hebben is dat ze altijd opgaan in een omgeving. Grote posters verdwijnen in de architectuur, kleine kaartjes verdwijnen in een vestzak: de olifant in de kamer en de luis in de pels. We werken nu samen aan een boek om al die inserts van het afgelopen jaar te bewaren voor later: een jaarboek voor de toekomst.

Dat boek en die inserts is trouwens ook nog werk voor de shop/work. Kelly en Pieter van Schacht/Van Bogaert gaan daarmee werken, samen en apart. En er zijn nog vele andere gasten om te ontmoeten in de shop/work: Lieve en Aaf van het onthaal en An en Margareta en Yasmina van communicatie en Helena van programmatie, allemaal Handelaars van de Beursschouwburg. En Ann komt van Cabinet. En Fred van CutMe. En Kristien van Support de Fortune. En misschien nog meer volk. En er komt een Handelaarsfeestje voor iedereen om het einde van de Stage te vieren.

Zet het in uw agenda, Odile: 10 tot 20 juni, van donderdag tot zaterdag, tussen 12 en 20u: shop/work in de Beursschouwburg. Met een work/shop om te eindigen. Meer nieuws als er is.

Ik zal er ook zijn.

Dag Odile!

Kus,

 

Odile

Die tafels voor de shop/work!

Re-board_1

Die tafels voor de shop/work! Ik krijg er een punthoofd van!

– Tafels? Shop/work? Vertel!

– Wel ja, Dokter. Voor de eindpresentatie van onze Stage organiseren we een shop/work in de Beursschouwburg. Dat idee van die winkel, dat speelt al langer door ons hoofd. En om iets te doen met een workshop ook. Maar omdat we niet goed weten hoe we dat moeten doen, hebben we de zaken wat omgedraaid en zijn we bij een shop/work uitgekomen: een winkel om te werken.

– En die tafels, Van Patienten?

– Wel ja, Dokter. We hebben toch meubels nodig voor de shop/work? Iets om al onze inserts op te schikken en om aan te werken. Het idee komt eigenlijk van dat boek dat U me ooit liet zien, over de Atlas van Aby Warburg. Het leek me wel fijn om onze inserts ook op zo een manier te schikken en te herschikken. Het mooie bij Warburgs iconografische kunstgeschiedenis (zeg ik dat juist, Dokter?), is dat hij zijn tableaus altijd opnieuw hergebruikt en herschikt. Dat willen wij ook doen op dit tafels. En als je die tafels verticaal zet, dan heb je een tableau, zoals bij Warburg.

– Dat heb je goed onthouden, Van Patienten. Maar wat is dan het probleem?

– Odile! Dat is het probleem, Dokter! Als ik zeg dat ik een tafel wil maken in de vorm van een H dan vindt ze dat eerst een goed idee en daarna begint ze daar allemaal vragen bij te stellen. Het is de H van Handelaars natuurlijk, maar het is ook een vorm waar je met twee personen aan kan werken. Een beetje zoals die schrijftafel van Bouvard & Pécuchet: een tafel voor twee mensen die elkaar héél graag zien. Perfect voor mij en Odile, dacht ik. Maar nu zegt ze dat ik beter met losse tafels werk, dat die H de shop/work te veel dreigt te blokkeren. Maar ik wil nog altijd met die losse tafels werken, Dokter. Twee van die tafels snij ik uit de binnenkanten van de H. En dan maak ik nog drie extra tafels in hetzelfde materiaal. En als we die H niet nodig hebben om aan te werken, dan zetten we ze gewoon tegen de muur. We kunnen het gebruiken als display. En als object zal dat ook goed geven. Allez, ik denk dat ze het nu wel begrepen heeft. Maar het kost zoveel tijd om dat allemaal uit te leggen. Ondertussen had ik die tafels al lang gemaakt!

– Maar dat is toch eigen aan het Handelen, Van Patienten? Dat zou je nu toch moeten weten na een jaar stage.

– Ik weet het wel, Dokter. Maar het is nog niet gedaan. Nu dat idee van die tafels en die H erdoor is, begint het gezever opnieuw. Deze keer gaat het over materialen. Als ik zeg zwarte MDF, zegt Odile dat bordverf beter is om op te schrijven en goedkoper ook. Als ik dan voorstel om Re-board te bestellen in Nederland omdat dat licht is en goedkoop, dan zegt Odile dat ik een lokale leverancier moet zoeken: dat is ecologischer. Alsof die lokale leverancier zijn grief niet van elders laat komen! Dat is allemaal wel heel interessant, maar het is ook zo vermoeiend. Odile weet geeneens iets van materialen. Ze kent het verschil nog niet tussen hout, MDF of Re-board. En dan zegt ze nog dat ik mijn hoofd koel moet houden ook! Ja, Dokter, dan begin ik pas echt te koken.

– En toch, Van Patienten, zegt dit veel over het Handelen. Over wat mensen doen, hoe ze het doen en waarom. Ik ken jullie allebei goed genoeg. Als de ene precies weet welk materiaal ze wil, zal de andere eerst gaan kijken welk materiaal er al is. Als de ene vertrekt van het materiaal dat ze mooi vindt, zal de andere zoeken wat meest efficiënt is. Dat is eigen aan het Handelen. Mag ik U nog eens herinneren aan het eerste woordje in de inventaris? Wat staat daar alweer, Van Patienten?

– Geduld, Dokter. Ik weet het wel. Maar Handelen kan soms zo ingewikkeld zijn. En dan heb ik het nog niet gehad over dat boek dat we gaan maken voor de shop/work. En die pijlen! Nog een geluk dat er zich niemand komt moeien met mijn stekjes. Die trekken zelf hun plan. Dat is nog eens een voorbeeld van geduld. Maar nu moet ik gaan. Ik heb al genoeg tijd verloren. Dag Dokter!

– Dag Van Patienten!

What a situation!

Greetings Odile!P1060670

What a situation! Picture us standing there on the roof of Parking 58, finding our way with a map of the park of Versailles in our hands. Picture this large surface of concrete through which we have to stretch a path. Headphones on our ears, booklet in our hands. While there is so much to see and hear up there, high in the sky. A bit complicated for common Handlers – pardon: Trainees – as you and me.

To get lost is fun. That we know. The Situationists knew that too. The Doctor told me about them. She explained me that in the fifties and sixties, they searched for more structured and less complicated ways to get lost in the city. To use a map of London in order to find your way through Paris, for example. The difference was that the Situationists had an eye for the city in which they got lost. To get lost was part of the discovery. The Doctor taught me all that. But there is not so much to discover on a parking lot when you only have eyes for the booklet in your hands and ears for the headphones on your head.

Very serious rules are then becoming a little game. A number. A track.

Brussels Tracks is the name of – take a deep breath – An experimental and performative audio guide for the city of Brussels. It is a project by David Helbich. In an interview he talks about his inspiration from the Situationists. Or from Star Trek. Holodeck, please, one of the tracks in his guide, is quite beautiful in all its simplicity. All you have to do is stand at the balustrade of the parking, think that you are on the Holodeck of Star Trek, and look out over the city of Brussels while listening to the sounds of the city of Nablus. You hear chants, the echo of the mountains, pure poetry.

These moments are rather rare in Brussels Tracks. You spend more time finding your way through instructions from the booklet, sounds from the headphones and the interface of the MP3-player. We spent quite some time at City2 because none of us knew how to change the volume. Sweeping to the left or to the right. Very simple, but you have to know.

Here is a list of things, Odile, to remember for our final presentation:

– keep things simple

– do not cut your work in tracks, but present them as much as possible as a whole

– limit instructions to clear and simple rules

– give rules before you start so you can forget them once you start working

– use media only when strictly needed

– search for user friendly tools

– think about your environment: keep it as large as possible

– focus you attention on your environment and not on the instructions

– make participants feel comfortable, protect them, don’t put them on display, but allow them to look with you

– leave room to explore without determining in advance what is important

Ah, where is Ant Hampton when you need him, Odile?

Goodbye Odile!

Kiss,

Odile

 

Dokter?

Dokter?

– Van Patienten!

– Ik heb een probleem…

– Wat nu weer?!

– Gisteren gingen we naar een gesprek over Someone Else, het inspirerende werk van ons grote voorbeeld Ant Hampton. In de uitnodiging was sprake van een ronde tafel, zoals bij de ridders. Maar hier waren de aanwezigen allemaal kunstenaars. En de ronde tafel was eigenlijk de salon van één van de kunstenaars. Ik heb me zelden zo ongemakkelijk gevoeld.

– Je bedoelt natuurlijk (on)gemakkelijk, Van Patienten. Ik begin je een beetje te kennen. Jouw gemak is altijd al deel van je ongemak. Niet waar?

– Niet echt, Dokter. Deze keer was het helemaal anders. Eerst dacht ik ook dat dit wel ging overwaaien, dat ik mijn gemak nog wel zou vinden in mijn (on)gemak. Maar een half uur later was dit (on)tje haar haakjes helemaal kwijt. Ik blokkeerde en kreeg geen woord meer over mijn lippen. En dan hadden we nog twee uur te gaan, Dokter. Dat was pijnlijk.

– Had je dan niets meer te vertellen, Van Patienten? Of was het een kwestie van durf?

– Beide, Dokter. Alles waar ik eerder aan dacht bij dat werk van Ant Hampton leek nu totaal irrelevant. Eerst leek het alsof ik de enige was die het werk begreep. Daarna leek het alsof iedereen over een ander werk praatte.

– Hoezo? Kan je dat uitleggen, Van Patienten?

– Wel, Dokter, u bent eigenlijk de dokter hier. Maar ik zal het proberen. Ik denk dat het iets met ego’s te maken heeft. Iedereen zit daar met een eigen agenda. Net zoals wij: wij houden van dit werk omdat we er zoveel verwantschap in zien met de Handelaars: het kijken naar de ander, de aandacht voor de omgeving, het inleven in de ander,… De eerste opmerkingen rond de tafel, pardon: in het salon, leken dat ook te bevestigen. Maar zeer snel werden ze overschaduwd door gevoelens van verzet en ongeduld. Verzet tegen de opdracht van Ant Hampton om nu zelf de straat op te gaan en een vreemde aan te spreken. Ongeduld omdat het vooraf opgenomen deel van het werk zolang duurt: zo lang dat je daarna geen zin meer hebt om de eigenlijke opdracht nog uit te voeren. In beide gevallen, Dokter, denk ik dat het erom gaat geen afstand te kunnen nemen van het eigen ego. Veel in dit werk steunt op een vorm van overgave: je lot in handen leggen van een ander (de kunstenaar Ant Hampton, de acteurs op de soundtrack, je partner naast je, de passanten aan de andere kant van het raam van de Beursschouwburg,…). Daar voelde ik ook eerst een (on)gemak. Dat is deel van de slimme aanloop van het werk. Het gemak is er gekomen op dat cruciale moment waarop ik die hand voelde op mijn schouder. Dat werkt alleen als je je laat gaan als een stroom in een stroom. Dat is het moment waarop je afstand moet nemen van je ego: je moet het vloeibaar laten worden, laten stromen. Elk verzet is nutteloos daar. Elk verzet is een volharding – wat zeg ik? een verharding – van je ego. Dat is dodend voor dit werk.

– En het ongeduld? Kan je daarover iets zeggen, Van Patienten?

– Wel, Dokter, het is mijn bescheiden mening dat veel in dit werk met tijd heeft te maken. Je hebt tijd nodig om erin te komen en over (of in) je (on)gemak te raken. En ook als je denkt dat het werk is afgelopen moet je de tijd laten werken. Dit werk is eigenlijk nooit afgelopen. Mensen die beweren dat je een tijdskader (een time frame, want het gesprek verliep in het Engels: we zijn in Brussel, onder kunstenaars) nodig hebt voor het uitvoeren van de opdracht hebben niets van dit werk begrepen. En mensen die het opgenomen deel van het werk te lang vinden in verhouding tot de opdracht al evenmin. Je moet de tijd laten werken. De tijd van het werk moet de jouwe worden. Je moet letterlijk je tijd nemen.

– Kan je nog eens vertellen wat de opdracht precies inhoudt?

– Wel, de opdracht is de straat opgaan, een vreemde aanspreken en er een gesprek mee voeren. Wij, als aspirant-Handelaars, herkennen ons daarin. Dat is wat we altijd al willen doen: vragen aan de anderen wat ze doen, hoe ze het doen en waarom ze het doen. Dat is veel moeilijker dan het lijkt. We hebben het geprobeerd in de Beursschouwburg en in de buurt. Niet het aanspreken van anderen is moeilijk. Wel het uitdiepen van het gesprek dat erop volgt: dat blijft heel lang op het niveau van de small talk. Daar moet je doorheen. En daarvoor moet je afstand nemen van je ego om je in te leven in de ander. Dat heeft tijd nodig. Het probleem is dat nogal wat mensen rond de tafel, pardon: in het salon, in al hun ongeduld de opdracht banaliseren. Natuurlijk is het niet moeilijk om een vreemde aan te spreken. Daar is zelfs niet echt veel durf voor nodig. De moeilijkheid – en de durf – schuilt in de diepgang: om het gesprek persoonlijk te maken, om er iets van jezelf in te leggen en zo iets terug te krijgen van de ander. Dat is een heel delicate oefening en daar is veel tijd voor nodig.

– Wat je hier zegt, Van Patienten, klinkt zeer relevant. Waarom heb je dat daar niet in de groep gegooid?

– Omdat ik niet voorbij de ego’s raakte. Diep in mij groeide een verzet tegen het verzet en een ongeduld met het ongeduld.

– Waar zit het probleem dan, Van Patienten? In het ego van de ander? In het verzet en het ongeduld van de ander? Over wiens ego, wiens verzet en wiens ongeduld gaat het hier eigenlijk, Van Patienten?

– Wat nu, Dokter? Is het dan weer allemaal mijn fout?

– Dat zeg ik niet, Van Patienten. Maar wat je vertelt over het ego, het verzet en het ongeduld van de ander blijkt evengoed van toepassing op jouw ego, verzet en ongeduld. En daar is niets mis mee. Dat lijkt me net zeer gezond. het komt er nu op aan om ook aan jouw ego, verzet en ongeduld de tijd en de ruimte te geven die het verdient. Het is helemaal niet erg dat je gisteren niet hebt gesproken. Dit verhaal is nog niet afgelopen. Neem het op jouw ritme, geef het jouw tijd en je zal zien dat je toch nog je gemak zal vinden in je (on)gemak. Allez, onze tijd zit erop. Ga nu maar weer naar huis. De Dokter ziet u graag.

1947 Dumitru 2015

Dag Odile,P1060649

1947 Dumitru 2015.

Het pleintje tussen de Vismarkt en de Handelskaai heeft geen naam en al helemaal geen nummer. Het is zelfs geen pleintje, maar een streep gras waar vroeger de dokken van de Brusselse haven lagen. Weinig mensen kennen de namen van de kaaien langs het pleintje: de Timmerhoutkaai en de Schuitenkaai. Als je er bekenden ziet, dan steken ze het pleintje over. De mensen die er de banken, het speeltuintje of het gazon gebruiken ken je zelden. Naamloze mensen op een naamloos plein. Een stukje niemandsland in de stad.

Op dat pleintje, Odile, staat sinds jaar en dag een tentje. Ik heb het er altijd zien staan, maar nooit zag ik er iemand in of uitstappen. Een tentje zonder gezicht op een pleintje zonder naam.

Hier, Odile, gaan we even terugspoelen. Lang voor we aan onze stage begonnen, speelden we met het idee om een verbinding te maken tussen de Handelaars van de Dansaertstraat, langs die van de Lepagestraat, de Vlaamsesteenweg en de Varkensmarkt, naar de Handelaars in en rond het Klein Kasteeltje. Dat stukje Brussel heeft een heel bijzondere sociale mix. Dat tentje speelde een rol in ons verhaal. Het was de vaste waarde op dat pleintje met altijd andere spelende kinderen, keuvelende ouders, drinkende clochards en haastige passanten.

De inspiratie voor dat plan begint bij Sonia, de bazin van Stijl en oer-Handelaar van de Dansaertwijk, en de Déviation/Omlegging van Fred, onze favoriete kapper in de buurt. Fred wou de aandacht voor de Dansaertstraat omleggen naar de andere straten in de buurt. Sonia vroeg of ze ook kon aansluiten bij zijn déviation. Dat vonden we raar, want we dachten net dat zij de Dansaertwijk op de kaart heeft gezet. Maar uiteindelijk vonden we het ook normaal: wie wil er immers niet bijhoren? We dachten aan de Handelaars op dat pleintje, en verder op de hoek van de Ieperlaan en de Diksmuidelaan, wachtend op werk, en die in het Klein Kasteeltje, wachtend op papieren: die willen er ook bijhoren. Maar die hebben geen Fred die voor hen een omlegging organiseert.

Onbekend is onbemind. Het probleem is dat je geen omlegging kan organiseren als er geen naam is. Al die pijlen van Fred dragen namen van Handelaars in de buurt. En de meest recente Handelaar die erbij wil horen is trouwens – even verrassend als Sonia – ons aller Beursschouwburg. Die kent toch iedereen? En toch: alle pijlen met alle namen uit Fred’s déviation sieren daar nu samen de gevel en op de gevels van die Handelaars hangen nu pijlen naar de Beursschouwburg.

Om een lang verhaal kort te maken: op de plaats waar vroeger dat tentje stond, Odile, daar staat nu een houten kruis. En op dat kruis staat een naam: Dumitru. Er staat ook een datum bij: 1947-2015. Ik weet niet wie het daar heeft gezet. Ik weet ook niet hoe lang het er al staat. En ik weet ook niet wat er met Dumitru is gebeurd. Maar zijn naam op dat kruis werkt wel als een magneet op andere Handelaars die er ook bij willen horen. In een plastic mapje tussen de bloemen aan de voet van het kruis ligt een boekje, met daarop een Post-it met een boodschap, een telefoonnummer en … een naam: Tania nodigt je uit om haar te bellen voor meer details over het onderwerp. Is dat niet ironisch, Odile? Net nu Dumitru een naam heeft, wordt hij gereduceerd tot een onderwerp, un sujet.

De dokter sprak me laatst over de liefde, Odile. Ik weet niet of ze het daar met jou ook over had. Ze vertelde me dat ik mezelf graag moet zien, net zoals ik de anderen graag zie. Ik moest denken aan dat zinnetje dat ik lang geleden las en me sindsdien is blijven achtervolgen: je inleven in de ander is de hoogste vorm van verbeelding. Ik probeer dat af en toe. En ik denk dat het veel met liefde heeft te maken.

Dat kruis is het bewijs: iemand houdt van Dumitru.

Kunnen wij nog houden van Dumitru, Odile?

Dag Odile!

Kus,

Odile

P1060650 P1060651

Your hand on my shoulder

My dear Odile, my other me,P1060653

Your hand on my shoulder made me slightly (un)easy. First it came as a shock: somebody touching me from behind. Even though I knew it was your hand – who else could it be? – it felt like an intrusion. But soon it became a feeling of comfort. The ease you get when you feel protected by someone who cares for you. Or is guided the word to use here? Because both of us were wearing headphones, listening to a voice that told us exactly what to do: step by step, hand by hand.

So there we were, standing and sitting in front of the large glass door of the Beursschouwburg, listening to that voice, looking at the world: performers, enjoying the performance. Step by step, hand by hand, we were becoming ‘Someone Else’. That is the name of the performance. Looking at the theatre of the street. Pointing at it. Reaching out for it. Trying to touch it, to grab it. We hardly got any further than our shoulders.

‘Someone Else’ is a performance by the artist named Ant Hampton. It is about borders. About being in- or outside. It is about the other. About becoming other, becoming different. It is about time. About how things change over time. About how things happen. And about how to let them happen.

We felt being looked at from the outside. There too: the same (un)ease as with your hand on my shoulder. We were exposed to the world but protected by a shield of glass and sound. We were performers, listening, watching, sitting, standing at a threshold. We were we and they were them. We were in and they were out. We were performer and they were audience. Or was it the other way around?

We adore this kind of vagueness. Don’t we, Odile? We love it to find ourselves, while becoming other. That is the core, the essence, the goal of our training. That is what we do as trainees: watching and waiting and moving where the wind blows. This performance is made for trainees like us.

Why can’t we also direct a performance like that? Wouldn’t that be an idea for our end presentation in June? All we have to do is make a script, find some actors to lend their voices for a soundtrack and look for an audience as performer. Why not? The problem is, of course, that we are still looking for our own instructions for our own training. We haven’t found the right manual yet. We are still in the process of writing our manual. While here it is ready and available in a nice little white book in a safe little black box with a tiny lock and a tiny key.

Dear Ant Hampton: how do we proceed? Can you learn us how to become real Handlers? To write our own manual? To work with our own hands, just like we did in your performance? Can you write a soundtrack for our lives? Show us the way to really step over the threshold, go to the other, open our mouths and talk to them? Because that is what we want to do. To become our own still life, our own performers. To find the stranger that is hidden inside ourselves. Please send us your advice at wijzijnhandelaars@hotmail.com.

For the record, Odile: we did make it to the outside. But always guided and protected by the voice, as a shield over our heads. We ended the performance on the stairs of the Beursschouwburg, a few steps away from the door where we’ve been sitting all that time. We looked at a couple that vaguely resembled ours at the other side of the street, in front of the Marriott Hotel. They were shaking hands, doing business, being Handlers while we were standing there and looking at them. We lowered our heads and looked at our feet. We watched the stairs under our feet. The very same stairs we used for the insert in the program booklet of the Beursschouwburg. We looked at the tags, left there by visitors, as inserts for the city. And then the voice asked us to turn our heads and look at the wall of the building. There we found a tag left by Ant Hampton: an insert for performers to come.

Would you like to be my Ant Hampton, Odile?P1060656

Goodbye Odile!

Kiss,

Odile

And then I was blonde

Greetings Odile!IMG_1773

And then I was blonde. Platinum blonde, Odile. It happened at Karaoke (Art) at good old Beursschouwburg. I put on my wig, bought a vintage pair of sunglasses, drank a few beers and threw myself in the game.

It worked. As soon as I entered the room I was announced. The American guy with the moustache called me a mystery guest. Don’t we like that, Odile? Isn’t this what we do as trainees? Becoming mysterious inserts? Becoming other? And isn’t this what karaoke is all about? To insert yourself into the line of songs? To become your favourite artist by interpreting his favourite song? To become other?

Oh yes, it worked, Odile. Everybody saw me, but many didn’t recognize me. I spoke English, because that is what artists do in Brussels. And when I sang, I put some phrases from other songs between the lines, like inserts. That is what we do as trainees at Beursschouwburg.

I used some lines from this crazy Flemish band, Kenji Minogue. I discovered them on You Tube, the other day, and I adore them. They also like wigs and sun glasses. And nobody, not even native Flemish speakers, seems to understand their dialect. Tbehin ziejre te koelnjaja. Means something like it’s getting chilly out here.

I had such fun, Odile. But you couldn’t notice. Because I was so cool. I had allure. Unlike the others in the house, I behaved very serious. People were queuing to sing. And there was punch with lots of vodka that made people drunk. And so nobody noticed the (Art) part of the karaoke anymore. (Art) never felt so good. It never was so vague, never so alive. It inserted itself so well into the joy of the evening.

That is what you get when you put it between brackets. It’s like with the (on)tjes. How do I translate that? (Un)dies? We call it the affirmative negation. You put (un) before any word and it becomes weaker and stronger at the same time. (Un)easy: the unease becomes part of the easiness, or vice versa. By putting the (art) between brackets it becomes more and less art. Less: it disappears in the singing of the karaoke. More: it became more intense because of the singing that made people part of the work. Anybody can sing, Odile. Anybody can be an artist.

Did you also notice that the form of my wig resembles the form of brackets? It makes me vague and more present at the same time.

You like it when I (dis)appear, Odile?

Goodbye Odile!

Kiss,

Odile

Soms weet je het ook niet meer

Last days of-staand A1Dag Odile,

Soms weet je het ook niet meer. Dan ga je een koffie drinken: een moment van rust, een insert, in je hectische leven als stagiair.

Die koffies zijn deel van je systeem. Zoals de inserts. Ze helpen de zaken open te gooien. Het verruimt je horizon, ook al beperkt je stage zich tot een heel klein stukje Brussel, in en rond de Beursschouwburg.

En dan kijk je wat naar de mensen rond je. Je wacht tot er iets gebeurt. Je rekent erop dat iemand ooit reageert op je inserts. Je hebt geduld.

En als je het echt niet meer weet, als je geduld dreigt op te raken, dan zoek je naar inserts van anderen. Zoals die graffiti op de trappen van de Beurs. Of dat bordje aan je fiets tijdens de staking. Of toen, op het terras van de Suisse, met die vreemde sticker aan de muur.

LAST DAYS OF stond op die sticker. Zonder meer. Je vraagt je af wat dat betekent. Of wat het kan betekenen. Want meer dan in de eigenlijke betekenis van de sticker, gaat je interesse naar de manier waarop die sticker werkt. Het wat, het hoe, het waarom van die sticker: dat is wat je interesseert.

Ik dacht aan een party, zoals bij Ten days of, het technofestival in Gent. Jij dacht aan een sekte, die wijst op de eindigheid van de dingen. Het kan een ecologische boodschap zijn. Of een politieke. Of een commerciële: laatste dagen

Je maakt een foto van de sticker en drukt hem af als een poster. Één poster laat je achter bij Ann, die meubels restaureert in Cabinet. Een andere bij Fred, de kapper van CutMe. Instructies geef je er niet bij. Dat is je filosofie: jij maakt de inserts en de ontvanger doet ermee wat ie wil.

Enkele dagen later zie je de poster in Cabinet hangen naast de deur. Ann kleeft er alle briefjes op die ze gebruikt wanneer ze even de deur uit moet: retour en 30’, je suis en face,… Die briefjes. Dat is wel handig, denk je. Zo is Ann. Vrouw van uitgestelde antwoorden.

Fred hangt de poster in zijn salon. Hij legt er een groene stift bij en vraagt zijn klanten om het beeld aan te vullen. Iemand zoekt naar de mogelijke betekenis van de zin. Een ander werkt verder op de graffiti. De ene doet het met woorden, de ander met beelden. Het resultaat is een kakofonie van mogelijke antwoorden. Een meerstemmigheid van mogelijke werelden. Een panoplie voor de laatste dagen: eindes die ook een begin kunnen zijn.

Wat leer je daarvan, Odile? Dat de dingen een eigen leven leiden? Dat je tevreden moet zijn met wat je krijgt? Dat je beter niet te veel verwacht? Of net wel? Dat jouw verwachtingen even veel waard zijn als die van een ander? Dat verbeelding geen grenzen kent? Dat je verhaal nog lang niet is afgelopen?

Wanneer gaan we nog eens een koffie drinken, Odile?

Dag Odile!

Kus,

Odile

IMG_0440P1060537IMG_0451

Een selfie

Dag Odile,

IMG_1483 Een selfie. Zegt je dat iets, Odile? Natuurlijk wel. Het is zowat het meest gebruikte woord van het afgelopen jaar. En voor jou betekent het nog net iets meer.

Het betekent je bevestiging als stagiair, maar bovendien ook je erkenning als kunstenaar. Deze zomer maak je een zeer bijzondere selfie voor het Transformers programma van de Beursschouwburg. Zeer bijzonder, omdat het de eerste keer is tijdens je stage dat je een opdracht krijgt als kunstenaar. Nog meer bijzonder omdat je de selfie ziet hangen, als een grote poster, op de gevel van de Beursschouwburg, nog voor het Transformers programma begint. En wat die selfie van in het begin bijzonder maakt, is de vraag om er een masker voor op te zetten. Hoe meer (on)persoonlijk kan een selfie zijn?

Voor je selfie zet je dat masker op ongeveer elk lichaamsdeel dat daarvoor kan dienen. Die op je oor haalt het uiteindelijk. Dat mag allemaal na je promotie van stagiair tot kunstenaar. Je oor als selfie. Alsof je eerst wil luisteren vooraleer je ergens je neus insteekt (en die neus steek je uiteindelijk ook in dat masker, wat had je gedacht?).

Wat leer je daarvan, Odile? Dat een selfie wel zeer anoniem kan worden. Je reduceert je zelf tot iets wat je wil dat de ander ziet. In jouw geval is dat je oor. Je wordt anders om je zelf te tonen. Jouw masker is zoals andermans make-up. Je leert goed na te denken vooraleer je een beeld van je zelf de wereld instuurt.

De andere stagiairs lachen met je selfie. Maar voor jou is dit bloedernstige materie. Ze zingen: ik ben zo blij / zo blij / dat mijn neus van voren zit / en niet opzij. Ze spotten, maar eigenlijk zijn ze jaloers. Dat jij gekozen bent als kunstenaar en niet zij. Ze maken er een carnaval van.

Over carnaval gesproken. Het is weer die tijd van het jaar waarin frustraties verpakt worden als spot. De tijd waarin maskers vallen en andere in de plaats komen. De tijd van de breindodende liedjes die iedereen kan zingen zonder na te denken. Ik ben zo blij / zo blij…

Voor jou, Odile, ligt het anders. Je bent niet enkel een leergierig stagiair die in elke kans een lesje vindt. Je bent intelligent en denkt bij elke Handeling over het wat, hoe en waarom. En bovendien ben je nu ook een kunstenaar wiens werk een plaats verdient in een traditie van maatschappelijk verantwoord werk. Je denkt aan recente protesten waarin het masker (Guy Fawkes), de gedeelde identiteit (Anonymous) en het opgaan in de massa (de 99%) een grote rol spelen.

Welk masker draag je vandaag, Odile?

Dag Odile!

Kus,

 

Odile

 

Tina, Alex en Lisa

insert_boekje02_def02

Dag Odile,

Tina, Alex en Lisa. Waar denk jij aan als je dat lied hoort op de trappen van de Beursschouwburg? Denk je aan het lied of aan die trappen? Aan de tekst of aan wat het betekent voor de stad?

Je denkt aan de insert die je maakt voor het programmaboekje van de Beursschouwburg en waarvoor je een foto gebruikt van die trappen. Je denkt aan de tags op die trappen: geheime boodschappen, achtergelaten door anonieme gebruikers. Je denkt aan de mensen die je er zo dikwijls ziet zitten: te rusten, te drinken, te babbelen.

Of te zingen dus. Zoals vorige vrijdag om 17u: het tweeëntwintigste uur van het vijftig uur durende verjaardagsfeestje van de Beurs. Bijna halfweg. Die trappen zijn een platform, een medium, voor zeer diverse boodschappen.

Op de foto van de trappen voor je insert staat een zinnetje dat je ooit zag in een kunstenaarsvideo: insert commercial here. Je houdt van dat idee van de insert. Het is zowat je belangrijkste instrument tijdens je stage. Het laat je toe boodschappen achter te laten. Om ideeën in te voegen tussen andere. Een beetje geheim, een beetje anoniem. En met wat geluk krijg je langs daar een boodschap terug. Of langs ergens anders.

Commercial klinkt een beetje raar natuurlijk. Je handelingen zijn nooit echt commercieel. Je vertaalt het liever als publiciteit, reclame: je publiceert je aanwezigheid en reclameert de aandacht. Commercieel is ook precies waar dat lied van Tina, Alex en Lisa tegenin gaat.

Ik dacht tijdens het lied aan die keer dat ik je zag rijden met dat bordje aan je fiets: er is wel een alternatief. Daarover gaat dat lied dat klinkt als een alarmbel: er is wel een alternatief voor Tina,

Heading for a cold world,
Where it’s everyone for themselves,
Where everything has to comply
To economic growth

Tina staat voor There Is No Alternative. Dat weet je wel. Maar waar staat Alex voor? Voor ALternatives EXist. Voor a warmer place. Niet voor heartless profits en economic profit, maar wel voor creative growth, cultural growth, educational growth. En Lisa? Voor Let’s Invent Something Alltogether.

Net als toen met je bordje krijg ik het hier een beetje warmer van. Maar het laat me toch ook weer achter met een groot vraagteken. Of een vaag-teken misschien. Dat woordje alternatief, in rode inkt op je bordje, dat uitloopt door de regen, is even symbolisch als het grote vraagteken op het einde van dit lied: What are we fighting for?

Is dat een probleem? Niet echt. Maar ooit zal je het toch concreet moeten maken. Om het daarna weer in vraag te stellen. Dan komt die vaagheid goed van pas. Dat vraagteken dat soms iets wegheeft van een uitroepteken.

Of niet?

Dag Odile!

Kus,

OdileP1060646