Leren wat je niet weet

Leren wat je niet weet. Waarom toch al die moeite? Hebt u daar nooit een boekje over gelezen, Dokter?

– Zeker, Van Patienten. Je bent niet de enige die zich daar het hoofd over breekt. De traditie zegt dat de klassieke manier van leren vertrekt van de wil en leidt naar de emancipatie: waar een wil is, is een weg. Een weg naar een ander, in het beste geval: beter, leven. Ik heb hier een boekje van een Franse filosoof, Jacques Rancière: De onwetende meester. Het gaat over een Franse professor, Joseph Jacotot, die les gaat geven in een Vlaamse school. De eerste taak waar hij zich voor ziet geplaatst, is het vinden van een gemeenschappelijke taal. De professor moet zich verstaanbaar maken bij zijn leerlingen. Daarom geeft hij ze twee exemplaren van dezelfde tekst. De ene in het Nederlands en de andere in het ranciereignorantFrans. Zo kunnen ze vergelijken en achterhalen welk woord te vertalen door welk ander woord. Jacotot maakt van zijn onwetendheid een deugd en
onderricht zonder enige vorm van kennis door te geven. Wat hij wel doorgeeft is het instrument om die kennis te verwerven. Hij toont als onwetende de weg om de kwaliteiten die je al bezit aan het werk te zetten.

– Grappig: de leerling weet hier meer dan de meester.

– Ja en nee. De leerling weet andere dingen dan de meester. Jacotot vertrekt van het principe van de intellectuele gelijkheid. Dat is totaal tegenovergesteld aan het traditionele onderwijs, dat vertrekt van de ongelijkheid tussen de leerling en de leraar. Die ongelijkheid eindeloos in stand houden leidt volgens Jacotot naar domheid en afstomping. Jacotot’s principe van de gelijkheid is een axioma dat voortdurend moet geverifieerd worden. Het is de basisvoorwaarde voor de intellectuele emancipatie.

– Maar van Bouvard et Pécuchet herinner ik me toch dat je niet zomaar alles kan leren uit de boeken? Het instrument alleen is niet voldoende. Er hoort ook een ervaring bij.

– Daarom was Jacotot zijn tijd ver vooruit. Het verhaal van De onwetende meester situeert zich aan het begin van de negentiende eeuw, rond 1830. Dat van Bouvard et Pécuchet komt pas aan het eind van de eeuw, in 1880. Tussen die twee verhalen ontstaat aan de andere kant van de oceaan nog een heel ander Bartleby_the_Scrivenerverhaal. Dat van Bartleby, de klerk van Herman Melville die er op een bepaald moment de voorkeur aan geeft niet meer te kopiëren.

– Nog een kopiist? Net als Bouvard et Pécuchet! Maar de methode van Jacotot is er toch geen van kopiëren? Het is er een van vergelijken.

– Dat klopt. Maar Bartleby is om een andere reden interessant. Melville publiceert zijn novelle in 1853 en de positieve weigering van zijn personage werkt nog lang door in veel filosofische boeken. Één van de recente boeken in die reeks is van een Amerikaanse filosoof, John Paul Ricco: The logic of the lure. Het gaat over een (on)persoonlijke vorm van leren. Het gaat over de weigering, of liever: de voorkeur (en niet de wil) om iets niet te doen.0226711013

– En wat heeft dat met Bartleby te maken, Dokter?

– Wel, de voorkeur om iets niet te doen zit vervat in dat ene emblematische zinnetje dat Bartleby altijd maar blijft herhalen: I prefer not to. Het duidt op een voorkeur om niet te spreken. Het is een in zichzelf geplooide vorm van spreken. Zo raakt Ricco voorbij het primaat van de wil en het doelgerichte leren van Rancière en Jacotot. Dat begint bij het loslaten, bij de overgave aan een andere realiteit, een andere pedagogie die voorbij gaat aan de tekst, waar de tekst niet meer is dan een parenthese, altijd tussen. Ricco wijst de weg naar een ongeoorloofde pedagogische praktijk met onbepaalde dingen als onderwerp. Een pedagogie die zich radicaal buiten de dingen zet. Voorbij de dialectiek van binnen en buiten: een interval, ondertussen, ernaast en toch erin.

– Ik weet niet of ik het allemaal goed begrijp. Maar ik heb wel eens iets gelezen IMG_1014over de techniek van de dichter, die om zijn thema heen draait zonder het te benoemen. De dichter kneedt de taal. Hij Handelt met taal. Hij zet de taal naar zijn hand. Zoiets?

– Zoiets, ja. John Paul Ricco schrijft op een dichterlijke manier. Meer dan theorie noemt hij het zelf een vorm van poëzie, van erotiek. Net als in de erotiek is het onwaarneembare het object van het verlangen. Daar zit de verlokking – the lure – uit de titel. The logic of the lure begint als een zelfportret, in een zeer (on)persoonlijke ruimte: een darkroom in New York. Een ruimte om je over te geven aan de onzichtbare ander – op de tast, als een blinde. Van daar gaat het verder naar de kunst – het zichtbare – om ergens uit te komen in de buurt van het academische: het lees- en leerbare. Leren heeft hier met ruimtes te maken, met situaties die lokken en aantrekken. Het heeft met tijd te maken: met wachten, je overgeven aan de dingen.

– Met geduld dus. Daar weten wij als Stagiairs ondertussen alles van.

– Precies. Dit boek gaat – net als jullie Stage overigens – voorbij aan de wil en het verlangen. Het laat de dingen gebeuren. Terugkerende handelingen zijn de positieve weigering of de negatieve affirmatie: de voorkeur (en niet de wil) om iets niet te doen. Jullie spel met de (on)tjes schuurt daar dicht tegenaan. Veel speelt zich af op de grens van het zichtbare en het onzichtbare: het onwaarneembare. Tussen het bewuste en het onbewuste, tussen slapen en waken, ligt de wereld van de erotiek, van het stotteren, de hapering, het vergeten leren.

– En hoe brengt u dat alweer in verband met de ruimte? Dat is ook belangrijk voor ons. Wij willen een boek maken dat werkt als een ruimte. Dat is ons project voor de shop/work.

– Ook hier moet je de verbeelding laten werken, Van Patienten. Bij Ricco gaat het immers dikwijls over niet-ruimte. Wat jullie (on)ruimte zouden noemen. Ricco heeft het over een vorm van radical exteriority: een buiten dat buiten het buiten valt. Een buiten dat elke binnen-buiten dialectiek ongedaan maakt. Een atopische, duizelingwekkende plaats.

– Pardon?

– De notie van binnen en buiten heeft met een relatie te maken. Je bent altijd binnen of buiten ten opzichte van iets anders. Het radicale buiten waar Ricco over schrijft is een relatie die er geen meer is: niet binnen, niet buiten, maar binnen-buiten. Hij heeft het over being with-out: niet being with (een relatie), ook niet being without (geen relatie), maar being with-out (een niet relationele relatie). Het is een buiten dat zich situeert buiten elk buiten, een buiten dat komt. Om je dat buiten als relatie voor te stellen kan je denken aan een boot: altijd onderweg, altijd tussenin. Of aan de spiegel: wat de ene plaats met de andere verbindt, de overgang tussen twee ruimtes. De spiegel is een scherm, een vorm van marginale architectuur. Of niet echt een vorm, maar meer een kracht: vluchtig, poëtisch, erotisch. Die spiegel maakt van elk van die ruimtes een zelfportret. Het creëert in elk van die ruimtes een plaats voor het zelf. Trouwens, nu ik eraan denk: jij maakte toch ook zo een spiegel als scherm tussen, of naast, of buiten twee ruimtes voor je laatste tentoonstelling?

– Die spiegel gaat al langer mee, Dokter. Maar u ziet dus in die spiegel een ruimte die er geen is? Een verbinding zonder ruimte? Misschien moet ik hem meenemen naar de shop/work

– Ik zou het eerder een ruimte in wording noemen. Of in (on)wording misschien, om nog maar eens uw taal te gebruiken. Ricco heeft het over een coming of architecture without becoming architecture: een unbecoming architecture. Het is een vorm van marginale architectuur, zoals het kamerscherm waar Bartleby zich op een bepaald moment achter gaat verstoppen. Een architectuur die je niet als zodanig herkent. Een vormloze, informele architectuur, een beetje nonchalant, zoals jouw spiegel: niet binnen, ook niet buiten, maar wel een overgang tussen binnen en buiten. Een ad hoc architectuur, bepaald door de omstandigheden en niet door de architect. Een architectuur die je overkomt, niet één die je maakt. Dat unbecoming van de architectuur maakt ze onwaarneembaar: je kijkt erover, erdoor. Maar het maakt het ook beweeglijk, vluchtig.

– Die ruimtes waar u naar verwijst lijken wel altijd zeer artificieel, Dokter.

– Het hangt ervan af hoe je het bekijkt. De cruising ground, ontmoetingsplaatsen voor mannen zoals in het Warandepark hier in Brussel, is voor Ricco zo een vorm van beweeglijke architectuur. Het is een zeer concrete en toch plaatsloze plaats waar het zelf ruimte wordt: je wordt deel van de ruimte en vergeet jezelf. Dat noemt Ricco een niet suïcidaal onworden (unbecoming) van het zelf: een naast jezelf zijn.

– Dus dat van die wil van daarnet kunnen we nu wel helemaal vergeten: leren is iets dat je overkomt.

– Voor Ricco wel, ja. Je wordt aangetrokken tot het oneindige buiten door whatever lures you: een erotische ervaring. Het is een vorm van wachten zonder verwachting: een onvervulbaar wachten. Het heeft iets te maken met ascese: een becoming through the refusal of baggage. De darkroom waar Ricco zijn boek mee begint, is een buiten, buiten het buiten: een gemeenschap van zij die niets gemeen hebben. Passanten zonder bagage.

– Dat wil ik wel geloven. Die mannen in de darkroom hebben zelfs geen kleren aan!

– Jaja, Van Patienten. Het is niet dat soort verbeelding die Ricco aan het werk wil zetten. Allez, of toch niet alleen. Het is veel poëtischer dan dat. Ricco geeft nog andere voorbeelden van een verdwenen, ascetische, esthetiek, zoals Blue, de laatste film van Derek Jarman. Jarman maakte de film toen hij nagenoeg blind was. Zijn film bestaat uit één lang aangehouden monochroom blauw beeld: niet zichtbaar, niet onzichtbaar, maar onwaarneembaar. Het is een film die liever niet (prefers not to) een film is. Een film die niets visualiseert, behalve een potentieel of een voorkeur om niet te visualiseren. Een niet positieve affirmatie. Een film die zich naar de dood toewerkt en op het punt staat zichzelf te verliezen.derek_jarman_blue_derek_jarman_curated_by_isaac_julien_2008_1

– Hoe waren we daar weer op gekomen, Dokter?

– Wel, het ging over leren. Dat bracht me bij John Paul Ricco. Hij ijvert voor een vorm van Queer Pedagogy: leren in een ruimte waar niemand op zijn plaats zou moeten zijn. Het gaat over microscopische vormen van leren en herleren, de oneindige onderhandelingen waarmee we de wereld ontleren. Daarom eindigt het boek van Ricco in de slaapkamer, als een test voor de limieten van de pedagogie.

– Hahaha, leren in de slaapkamer, Dokter: slapen maakt vrij. Weet u nog?

– Ja, maar dat is hier wel ernstige materie hoor, Van Patienten! Die slaapkamer van Ricco past bij zijn kritische blik op de instellingen. Hij zoekt een pedagogische praktijk die voorbij gaat aan de institutionele ruimtes, zonder ze daarom uit het oog te verliezen: de slaapkamer is voor hem even belangrijk als het auditorium. Hij zoekt een anonieme, onwaarneembare, beweeglijke praktijk. Het is zijn verzet tegen de norm: de recente academisering van Queer Pedagogy – meestal heet dat dan Queer Studies – is een manier van controle, die leidt naar disciplinering. Voor Ricco is Queer Pedagogy per definitie vrij, voor altijd tussen: ware inter-esse.

– Een beetje zoals wij werken in en rond – of mag ik zeggen: tussen? – de Beursschouwburg: een instelling waarin we ons met een kritische blik bewegen zoals in een stad. Nu u het zegt, Dokter: in de aanloop naar de shop/work mogen we het appartement van de Beursschouwburg gebruiken. Zo eindigt onze Stage ook in de slaapkamer: Queer Pedagogy!

– Jaja, Van Patienten. Je hebt het weer goed begrepen. Ga nu maar naar huis. De dokter ziet u graag.

Advertenties

Die tafels voor de shop/work!

Re-board_1

Die tafels voor de shop/work! Ik krijg er een punthoofd van!

– Tafels? Shop/work? Vertel!

– Wel ja, Dokter. Voor de eindpresentatie van onze Stage organiseren we een shop/work in de Beursschouwburg. Dat idee van die winkel, dat speelt al langer door ons hoofd. En om iets te doen met een workshop ook. Maar omdat we niet goed weten hoe we dat moeten doen, hebben we de zaken wat omgedraaid en zijn we bij een shop/work uitgekomen: een winkel om te werken.

– En die tafels, Van Patienten?

– Wel ja, Dokter. We hebben toch meubels nodig voor de shop/work? Iets om al onze inserts op te schikken en om aan te werken. Het idee komt eigenlijk van dat boek dat U me ooit liet zien, over de Atlas van Aby Warburg. Het leek me wel fijn om onze inserts ook op zo een manier te schikken en te herschikken. Het mooie bij Warburgs iconografische kunstgeschiedenis (zeg ik dat juist, Dokter?), is dat hij zijn tableaus altijd opnieuw hergebruikt en herschikt. Dat willen wij ook doen op dit tafels. En als je die tafels verticaal zet, dan heb je een tableau, zoals bij Warburg.

– Dat heb je goed onthouden, Van Patienten. Maar wat is dan het probleem?

– Odile! Dat is het probleem, Dokter! Als ik zeg dat ik een tafel wil maken in de vorm van een H dan vindt ze dat eerst een goed idee en daarna begint ze daar allemaal vragen bij te stellen. Het is de H van Handelaars natuurlijk, maar het is ook een vorm waar je met twee personen aan kan werken. Een beetje zoals die schrijftafel van Bouvard & Pécuchet: een tafel voor twee mensen die elkaar héél graag zien. Perfect voor mij en Odile, dacht ik. Maar nu zegt ze dat ik beter met losse tafels werk, dat die H de shop/work te veel dreigt te blokkeren. Maar ik wil nog altijd met die losse tafels werken, Dokter. Twee van die tafels snij ik uit de binnenkanten van de H. En dan maak ik nog drie extra tafels in hetzelfde materiaal. En als we die H niet nodig hebben om aan te werken, dan zetten we ze gewoon tegen de muur. We kunnen het gebruiken als display. En als object zal dat ook goed geven. Allez, ik denk dat ze het nu wel begrepen heeft. Maar het kost zoveel tijd om dat allemaal uit te leggen. Ondertussen had ik die tafels al lang gemaakt!

– Maar dat is toch eigen aan het Handelen, Van Patienten? Dat zou je nu toch moeten weten na een jaar stage.

– Ik weet het wel, Dokter. Maar het is nog niet gedaan. Nu dat idee van die tafels en die H erdoor is, begint het gezever opnieuw. Deze keer gaat het over materialen. Als ik zeg zwarte MDF, zegt Odile dat bordverf beter is om op te schrijven en goedkoper ook. Als ik dan voorstel om Re-board te bestellen in Nederland omdat dat licht is en goedkoop, dan zegt Odile dat ik een lokale leverancier moet zoeken: dat is ecologischer. Alsof die lokale leverancier zijn grief niet van elders laat komen! Dat is allemaal wel heel interessant, maar het is ook zo vermoeiend. Odile weet geeneens iets van materialen. Ze kent het verschil nog niet tussen hout, MDF of Re-board. En dan zegt ze nog dat ik mijn hoofd koel moet houden ook! Ja, Dokter, dan begin ik pas echt te koken.

– En toch, Van Patienten, zegt dit veel over het Handelen. Over wat mensen doen, hoe ze het doen en waarom. Ik ken jullie allebei goed genoeg. Als de ene precies weet welk materiaal ze wil, zal de andere eerst gaan kijken welk materiaal er al is. Als de ene vertrekt van het materiaal dat ze mooi vindt, zal de andere zoeken wat meest efficiënt is. Dat is eigen aan het Handelen. Mag ik U nog eens herinneren aan het eerste woordje in de inventaris? Wat staat daar alweer, Van Patienten?

– Geduld, Dokter. Ik weet het wel. Maar Handelen kan soms zo ingewikkeld zijn. En dan heb ik het nog niet gehad over dat boek dat we gaan maken voor de shop/work. En die pijlen! Nog een geluk dat er zich niemand komt moeien met mijn stekjes. Die trekken zelf hun plan. Dat is nog eens een voorbeeld van geduld. Maar nu moet ik gaan. Ik heb al genoeg tijd verloren. Dag Dokter!

– Dag Van Patienten!

Bouvard et Pécuchet

Bouvard et Pécuchet, Dokter? Vertel!35388-0

Bouvard et Pécuchet, Van Patienten? Dat is een fascinerend boek. Het is geschreven door Gustave Flaubert. Hij schreef het aan het eind van zijn leven en het vertelt de avonturen van twee kopiisten.

– Kopiisten, Dokter?

– Ja, Flaubert schreef in de negentiende eeuw en toen waren er nog geen kopieermachines en zeker geen computers. Er was toen veel werk voor klerken die niets anders deden dan teksten overschrijven. Kopiëren was hun beroep.

– Wat is er dan zo fascinerend aan het boek, Dokter? Teksten overschrijven klinkt niet echt opwindend.

– Één van de fascinerende dingen aan dit boek is het schrijven zelf. Het proces – of in Uw taal, Van Patienten: de Handeling – van het schrijven. Dat begint bij het kopiëren van teksten en eindigt bij het schrijven van een roman. Bovendien is dit een boek met een begin maar zonder eind. Flaubert had geen tijd om de twee laatste hoofdstukken uit te schrijven. Hij sterft in 1880. De publicatie van zijn manuscript volgt in 1881. Van de laatste twee hoofdstukken staan in het boek enkel de nota’s van Flaubert. We leren daaruit dat Bouvard en Pécuchet opnieuw gaan kopiëren, zoals ze het altijd al hebben gedaan. Alleen doen ze het nu met meer overtuiging. Ze laten zich een dubbele lessenaar bouwen – een lessenaar die zijn eigen kopie al in zich draagt – waar ze samen aan kunnen werken en ze annoteren de gekopieerde teksten onderaan het blad. Met het laatste hoofdstuk wou Flaubert de gebeurtenissen nogmaals overlopen – niet als een kopie deze keer, maar wel als een kritiek van zijn eigen boek. Het is die kritische ingesteldheid die altijd al ontbrak bij de twee kopiisten.

– Wat kan ik me daarbij voorstellen, Dokter, bij die nota’s?

– Die beide laatste hoofdstukken nemen elk telkens één pagina in beslag. Ze sluiten opnieuw aan bij het eerste hoofdstuk waarin de personages elkaar ontmoeten. Het is een hernieuwde voorstelling van de personages.

– Een nieuw begin dus, in plaats van het einde dat er nooit is geweest.

– Eigenlijk wel, ja. Maar het belangrijkste deel van het boek zijn natuurlijk de hoofdstukken die daartussen staan en waarin de protagonisten de overgang maken van een bestaan als kopiist naar een bestaan als kopiist. Dit is een boek in de overgang. Die tussenhoofdstukken, die het grootste deel van het boek vullen, maken het extra interessant. Het geeft dit boek een plaats tussen de dingen.

– Dat is interessant! Handelaars zijn ook tussenpersonen, altijd tussenin: tussen de mensen en tussen de dingen.

– Precies. En het interessante an sich, Van Patienten, dat is misschien wel het eigenlijke onderwerp van dit boek: de inter-esse als een tussen-de-dingen-zijn. Dat is waar het boek mee begint: de attractie van de dingen. De kleine details, de toevallige gelijkenissen zorgen voor de bijzondere aantrekkingskracht tussen de twee mannen. Want op het eerste zicht zijn ze totaal verschillend: de dikke en de dunne, de impulsieve en de voorzichtige. Hun interesse ontstaat in de gelijkenissen: de keuze voor dezelfde bank aan het water, de gewoonte om hun naam – die uiteraard verschilt – in de binnenkant van hun pet te schrijven, een zekere desinteresse voor vrouwen – het andere – en verder is de ene kopiist in een handelszaak en de ander op een ministerie en zijn ze allebei 47 jaar.

– Alsof ze zichzelf ontdekken in de ander.

– Goed gezien, Van Patienten. Bovendien is dit niet het begin van een vriendschap, maar wel degelijk een coup de foudre: het begin van een passionele relatie, van een andere liefde. Allebei hebben ze genoeg van het werk: altijd diezelfde pennen, altijd diezelfde collega’s! Ze hebben genoeg van de monotonie. En terwijl ze zichzelf ontdekken verliezen ze ook een stuk van zichzelf. De balans van deze vriendschap zorgt voor een positieve en een negatieve interest.

– Balans, interest, Dokter: het lijkt wel een boekhoudersboek!

– Dat lijkt alleen maar zo, Van Patienten. Hun liefde is echt wel passioneel. De prille liefde in dat eerste hoofdstuk begint met een openbaring van een mogelijke wereld. Mogelijk, want herkenbaar, maar ook mogelijk, want met zicht op een andere werkelijkheid. Die interesse voor de ander, voor wat verschilt, ontstaat in de herkenning, in wat niet verschilt. Zoals de kennis van Bouvard en Pécuchet ontstaat in de gelijkenis. Het zijn en blijven kopiisten. Ook – of zelfs – als ze hun leven veranderen en de gekopieerde kennis omzetten in de praktijk. Ook dan blijven het kopiisten.

– Hoe verandert hun leven dan, Dokter?

– Ah ja, sorry, dat had ik eigenlijk eerst moeten vertellen. Als de ene een grote som erft van een vergeten nonkel legt de ander zijn spaarcenten bij en kopen ze samen een boerderij in Normandië. Ze gaan er boeren. Niet zoals de boeren die het van generatie op generatie leerden van elkaar, maar wel volgens de boeken. En als ze door de omstandigheden – die natuurlijk niet in de boeken staan – mislukken in de landbouw, verleggen ze hun aandacht naar andere interesses. Als daar zijn: de chemie, de archeologie, de literatuur, de politiek, de liefde, de lichamelijke opvoeding, de religie en de educatie.

– Dat is wel veel om allemaal te leren in één leven. Of in één boek.

– Ja, en er wordt dan ook nogal wat gestunteld in die centrale hoofdstukken. Bouvard en Pécuchet herkennen zichzelf in de en het andere, maar stuiten altijd weer op een verschil. Dat verschil staat voor een tekort, iets dat moet bijgepast worden en dat maakt dat ze moeten blijven bijstellen, proberen, onderhandelen, toenadering zoeken. En dat doen ze met plezier. Ze willen anders worden, zich het verschil eigen maken. Maar het heeft altijd iets stuntelig. Ze zien iets dat er niet is (nog niet, maar dat kan nog komen). Ze doen dingen die ze niet kunnen (nog niet, maar dat komt nog wel). Hun huis zit vol gaten en spleten, het eten trekt op niets, de oogst mislukt en toch zijn ze gelukkig. Ze leven in een fantasie – een andere wereld. Ze laten zich leiden door het boek zonder er echt veel van te leren. Het zal altijd stuntelig blijven zolang ze naar hetzelfde zoeken in de ander. De stunteligheid zal pas overwonnen worden door het zoeken naar het andere in de ander: wat natuurlijk niet in de boeken staat. Door de aanvaarding.

– Aanvaarding, Dokter? Van het stuntelen?

– Zo je wil, Van Patienten. Ik zou eerder zeggen: van het andere. Veel van dat stuntelen is het gevolg van een idealistische opvatting van de kopie. Bouvard en Pécuchet denken dat ze de kennis van de boeken zonder meer kunnen kopiëren en toepassen in hun dagelijkse Handelen. Ze houden geen rekening met het verschil dat eigen is aan elke herhaling. Meer zelfs: het is eigen aan elke kopie, aan het werk dat ze hun hele leven al doen. Daarom keren ze van de praktijk van de landbouw, van de scheikunde, van de liefde en al die andere domeinen van kennis die ze tegenkomen op hun weg uiteindelijk terug naar de praktijk van de kopie: de nulgraad als praktijk, waar de kopie samenvalt met zichzelf als origineel. Die nulgraad bereiken ze aan het einde van het boek. Op dat moment valt ook het boek samen met zichzelf en worden de twee klerken zichzelf in de overtreffende trap. Ze werken niet aan een gewoon individueel bureau, maar wel aan een dubbele, één die de eigen kopie al in zich draagt.

– Oh Dokter, wat kan u toch goed lezen! En het nog zo mooi navertellen ook.

– En pas op, Van Patienten, het is nog niet gedaan. Dit boek eindigt met een Dictionnaire des idées reçues: een woordenboek van gemeenplaatsen. Daarin zit niet zozeer een aanval op de bourgeoisie, maar wel op de petit-bourgeois. Het gaat over een herhaling, een kopie, van de bourgeois op een stuntelige manier: de farce van de bourgeoisie, waarin lieden die het niet kunnen, toch proberen te Handelen zoals de echte. Dit is een boek over het doen alsof. Bouvard en Pécuchet zijn begonnen als kopiisten en zullen ook zo eindigen. Alleen doen ze het nu met meer overtuiging.

– En volgens U begint dat dus allemaal met het schrijfproces. Met het Handelen van de schrijver Gustave Flaubert.

– Dat heb je goed onthouden, Van Patienten. In de nota’s van het laatste hoofdstuk maakt Flaubert zichzelf eigenlijk tot onderwerp van zijn boek. Hij geeft hier een kritiek op zijn eigen boek. De Dictionnaire des idées reçues die daarop volgt, is nog een extra herhaling van het boek. Daar begint de eeuwige wederkeer van het gelijke. Het is een bijlage en ook die is niet af: een extra verzameling nota’s bij een boek in wording.

– Begrijp ik het dan goed, Dokter, dat de lezer hier zelf schrijver moet worden om het boek te voltooien? Ik veronderstel dat niet alles wat U zonet vertelt ook letterlijk in het boek staat. Ik kan dus eigenlijk zonder overdrijven zeggen dat U coauteur bent van dit boek.

– Warempel, Van Patienten! Er schuilt een filosoof in U! Misschien heb je wel gelijk. Maar wat telt voor mij is dat dit boek, meer dan alle andere, de imaginaire praktijk van Flaubert als auteur toont. Dertig jaar heeft hij erover nagedacht. Tien jaar heeft hij eraan geschreven. Vijftienhonderd boeken heeft hij ervoor gelezen. En van daar is hij beginnen kopiëren, vervormen, citeren, verwijzen, spelen, experimenteren, uitvinden, aanpassen, omkeren, vervangen. Zijn imaginaire praktijk is een verborgen – in uw taal: (on)waarneembare – praktijk. Het ontstaat in de omstandigheden. Het is een gebeuren: geen object, geen beeld, geen tekst. Het (ont)staat tussen de dingen. Als een (on)(der)bewuste praktijk.

– Als ik U zo hoor, Dokter, dan lijkt Flaubert wel een soort Bouvard & Pécuchet in één persoon.

– Goed gezien, Van Patienten! Ken je die uitspraak van Flaubert? Madame Bovary, c’est moi. Dat gaat over een ander personage in een eerder boek. Ik had het zo nog niet bekeken. Maar misschien had hij na de publicatie van dit boek wel gezegd: Bouvard et Pécuchet, c’est moi.

– Ja, Dokter, zo ken ik er nog wel een paar. Je est un autre, bijvoorbeeld. Kent U die? Misschien moeten we hier maar stoppen. Niet, Dokter? Het is mooi geweest voor vandaag. Van Patienten ziet U graag.

– ?!?

Dokter?

Dokter?

– Van Patienten!

– Ik heb een probleem…

– Wat nu weer?!

– Gisteren gingen we naar een gesprek over Someone Else, het inspirerende werk van ons grote voorbeeld Ant Hampton. In de uitnodiging was sprake van een ronde tafel, zoals bij de ridders. Maar hier waren de aanwezigen allemaal kunstenaars. En de ronde tafel was eigenlijk de salon van één van de kunstenaars. Ik heb me zelden zo ongemakkelijk gevoeld.

– Je bedoelt natuurlijk (on)gemakkelijk, Van Patienten. Ik begin je een beetje te kennen. Jouw gemak is altijd al deel van je ongemak. Niet waar?

– Niet echt, Dokter. Deze keer was het helemaal anders. Eerst dacht ik ook dat dit wel ging overwaaien, dat ik mijn gemak nog wel zou vinden in mijn (on)gemak. Maar een half uur later was dit (on)tje haar haakjes helemaal kwijt. Ik blokkeerde en kreeg geen woord meer over mijn lippen. En dan hadden we nog twee uur te gaan, Dokter. Dat was pijnlijk.

– Had je dan niets meer te vertellen, Van Patienten? Of was het een kwestie van durf?

– Beide, Dokter. Alles waar ik eerder aan dacht bij dat werk van Ant Hampton leek nu totaal irrelevant. Eerst leek het alsof ik de enige was die het werk begreep. Daarna leek het alsof iedereen over een ander werk praatte.

– Hoezo? Kan je dat uitleggen, Van Patienten?

– Wel, Dokter, u bent eigenlijk de dokter hier. Maar ik zal het proberen. Ik denk dat het iets met ego’s te maken heeft. Iedereen zit daar met een eigen agenda. Net zoals wij: wij houden van dit werk omdat we er zoveel verwantschap in zien met de Handelaars: het kijken naar de ander, de aandacht voor de omgeving, het inleven in de ander,… De eerste opmerkingen rond de tafel, pardon: in het salon, leken dat ook te bevestigen. Maar zeer snel werden ze overschaduwd door gevoelens van verzet en ongeduld. Verzet tegen de opdracht van Ant Hampton om nu zelf de straat op te gaan en een vreemde aan te spreken. Ongeduld omdat het vooraf opgenomen deel van het werk zolang duurt: zo lang dat je daarna geen zin meer hebt om de eigenlijke opdracht nog uit te voeren. In beide gevallen, Dokter, denk ik dat het erom gaat geen afstand te kunnen nemen van het eigen ego. Veel in dit werk steunt op een vorm van overgave: je lot in handen leggen van een ander (de kunstenaar Ant Hampton, de acteurs op de soundtrack, je partner naast je, de passanten aan de andere kant van het raam van de Beursschouwburg,…). Daar voelde ik ook eerst een (on)gemak. Dat is deel van de slimme aanloop van het werk. Het gemak is er gekomen op dat cruciale moment waarop ik die hand voelde op mijn schouder. Dat werkt alleen als je je laat gaan als een stroom in een stroom. Dat is het moment waarop je afstand moet nemen van je ego: je moet het vloeibaar laten worden, laten stromen. Elk verzet is nutteloos daar. Elk verzet is een volharding – wat zeg ik? een verharding – van je ego. Dat is dodend voor dit werk.

– En het ongeduld? Kan je daarover iets zeggen, Van Patienten?

– Wel, Dokter, het is mijn bescheiden mening dat veel in dit werk met tijd heeft te maken. Je hebt tijd nodig om erin te komen en over (of in) je (on)gemak te raken. En ook als je denkt dat het werk is afgelopen moet je de tijd laten werken. Dit werk is eigenlijk nooit afgelopen. Mensen die beweren dat je een tijdskader (een time frame, want het gesprek verliep in het Engels: we zijn in Brussel, onder kunstenaars) nodig hebt voor het uitvoeren van de opdracht hebben niets van dit werk begrepen. En mensen die het opgenomen deel van het werk te lang vinden in verhouding tot de opdracht al evenmin. Je moet de tijd laten werken. De tijd van het werk moet de jouwe worden. Je moet letterlijk je tijd nemen.

– Kan je nog eens vertellen wat de opdracht precies inhoudt?

– Wel, de opdracht is de straat opgaan, een vreemde aanspreken en er een gesprek mee voeren. Wij, als aspirant-Handelaars, herkennen ons daarin. Dat is wat we altijd al willen doen: vragen aan de anderen wat ze doen, hoe ze het doen en waarom ze het doen. Dat is veel moeilijker dan het lijkt. We hebben het geprobeerd in de Beursschouwburg en in de buurt. Niet het aanspreken van anderen is moeilijk. Wel het uitdiepen van het gesprek dat erop volgt: dat blijft heel lang op het niveau van de small talk. Daar moet je doorheen. En daarvoor moet je afstand nemen van je ego om je in te leven in de ander. Dat heeft tijd nodig. Het probleem is dat nogal wat mensen rond de tafel, pardon: in het salon, in al hun ongeduld de opdracht banaliseren. Natuurlijk is het niet moeilijk om een vreemde aan te spreken. Daar is zelfs niet echt veel durf voor nodig. De moeilijkheid – en de durf – schuilt in de diepgang: om het gesprek persoonlijk te maken, om er iets van jezelf in te leggen en zo iets terug te krijgen van de ander. Dat is een heel delicate oefening en daar is veel tijd voor nodig.

– Wat je hier zegt, Van Patienten, klinkt zeer relevant. Waarom heb je dat daar niet in de groep gegooid?

– Omdat ik niet voorbij de ego’s raakte. Diep in mij groeide een verzet tegen het verzet en een ongeduld met het ongeduld.

– Waar zit het probleem dan, Van Patienten? In het ego van de ander? In het verzet en het ongeduld van de ander? Over wiens ego, wiens verzet en wiens ongeduld gaat het hier eigenlijk, Van Patienten?

– Wat nu, Dokter? Is het dan weer allemaal mijn fout?

– Dat zeg ik niet, Van Patienten. Maar wat je vertelt over het ego, het verzet en het ongeduld van de ander blijkt evengoed van toepassing op jouw ego, verzet en ongeduld. En daar is niets mis mee. Dat lijkt me net zeer gezond. het komt er nu op aan om ook aan jouw ego, verzet en ongeduld de tijd en de ruimte te geven die het verdient. Het is helemaal niet erg dat je gisteren niet hebt gesproken. Dit verhaal is nog niet afgelopen. Neem het op jouw ritme, geef het jouw tijd en je zal zien dat je toch nog je gemak zal vinden in je (on)gemak. Allez, onze tijd zit erop. Ga nu maar weer naar huis. De Dokter ziet u graag.

Slapen maakt vrij

Dag Odile,IMG_1816

Slapen maakt vrij, staat op de cover van een krantje bij de Dokter. Binnenin staat een stuk over dat pleintje dat we ooit gingen zoeken voor we onze stage begonnen. Een braakliggend stukje Brussel dat dringend moest gevuld worden. Vandaag staat er een speeltuintje. Maar volgens de recensent van het krantje hadden ze er beter niets mee gedaan: te veel mankracht, te weinig verbeeldingskracht. Hij heeft gelijk. De Verloren Hoek heet nu een Pocket Park. De naam is gestolen in New York. De speeltuin is geshopt in de supermarkt. En die zwarte plastic zeilen moeten de grijze lelijkheid (maar wat heet lelijk hier?) verbergen.

IMG_1817

Die mannen en vrouwen van de stad – arbeiders, politici, stadsplanners – waren beter in bed blijven liggen, denk je dan. Slapen maakt vrij. Niet enkel voor die mannen en vrouwen, maar ook voor hun medeburgers. Dit brute werk is tijdverlies, stadsverlies.

Het lijkt wel of de redactie met dat krantje een themanummer wou maken. Wat verder, voor het weerbericht en de televisieprogramma’s, staat het stuk waarnaar de titel op de cover verwijst. Het is een nogal persoonlijke lezing van 24/7, een zeer interessant boek van een Amerikaanse filosoof: Jonathan Crary. De Dokter – je weet, die leest graag een boek – heeft me daarover verteld. Het is een boek over de manier waarop het kapitalisme 24 uur op 24 onze levens gaat beheersen. Het enige moment waarop we daar nog aan ontsnappen, is tijdens onze slaap. En dan nog: je droomt ’s nachts over wat je meemaakt overdag. Bovendien werken hardcore kapitalisten nu aan een plan om slapeloze militairen te maken: altijd productief.

Het is een misverstand waar we tijdens onze stage dikwijls mee te maken hebben, Odile. Wie Handelaar zegt, denkt dikwijls kapitalisme. Elke keer opnieuw moeten jij en ik dan met veel geduld uitleggen dat het in onze stage over iets anders gaat. Het gaat niet over winst, maar wel over het Handelen op zich. Wat ons interesseert is niet zozeer het resultaat, maar wel de Handelingen van elke dag: het wat, het hoe en het waarom anderen doen wat ze doen. Dat heeft niet noodzakelijk met productiviteit te maken, en al zeker niet met geld: we produceren af en toe wel eens een insert, maar rijk gaan we daar nooit van worden.

Dit boek, vertelt de Dokter, zegt veel over de manier waarop het kapitalisme conditioneert: de druk om te produceren en onze tijd nuttig te gebruiken; het gevoel van schuld dat je overvalt als je dat niet doet. Dat is allemaal niet zo goed voor de gezondheid, zegt de Dokter. Het fijne aan de bespreking in dat krantje is dat het ook gaat over het plezier om niets te doen; om gewoon tijd te verliezen en de dingen te laten gebeuren.

IMG_1818

Is dat nu niet precies wat fout liep met dat pleintje? Het moest snel gaan. Want zo een pleintje dat daar zomaar ligt niets te doen, midden in de stad, dat is een schande! Dat begrijp je wel, Odile. Dat pleintje moet renderen! En het mooie is dat het nu niet enkel rendeert voor de volwassen Handelaars – de per uur betaalde arbeiders, per stem betaalde politici, per vierkante meter betaalde stadsplanners – maar ook voor de allerkleinste Handelaartjes: de met snoepjes in vrolijke kleurtjes betaalde kindertjes. Goed begonnen is half gewonnen (voor het kapitalisme).

Zeg nu zelf, Odile: momenten van domme productie als deze kunnen we toch missen als kiespijn, niet? Wat we eigenlijk nodig hebben is … niets. Het zijn net die lege momenten, die braakliggende lapjes grond die het mogelijk maken om te Handelen. Het leuke is dat Handelen zelf, niet de productie. Handelen: dromen, proberen, mislukken, herbeginnen, denken, discussiëren, leren,… Produceren: investeren, construeren, renderen, optimaliseren.

We hoeven helemaal geen 24 uur op 24 nuttig te zijn, Odile. Een beetje verveling, wat luiheid, een beetje leegte en wat tijdverlies, de controle verliezen: dat doet deugd.

Dat was trouwens een goed idee van je om het appartement van de Beursschouwburg te reserveren voor onze eindpresentatie. Daar kunnen we lekker nietsdoen, beetje rusten, niet bekeken worden. En slapen.

Want: slapen maakt vrij.

Slaap lekker, Odile!

Kus,

Odile

Wat is ’t nu weer

Van Patienten?

Wat is ’t nu weer! Ge zijt hier nog maar pas geweest en ge staat daar alweer. Wat is uw probleem eigenlijk?

Ge wilt uzelf zijn? En ge wilt dat ik u daarbij help? Welnu, mijn beste Van Patienten, ik zal u direct helpen. Ik zal eens goed naar u kijken met mijne kijker. En ik zal u zeggen wat ik zie: u zelf. En ik zal eens goed naar u luisteren met mijn stethoscoop. Wat hoor ik? Juist ja: u zelf.

Wat ge moet doen Van Patienten? Uzelf aanvaarden zoals ge zijt. Vandaag zijt ge een stagiair. Dat wil zeggen dat ge aan het leren zijt. Ge groeit nog elke dag. En met u, uw kennis. Ge kijkt hoe anderen Handelen. Ge vraagt wat ze doen en waarom. En dan probeert ge het zelf ook. Zo wordt ge altijd een beetje anders, ge gaat altijd wat meer lijken op die ander. En daar is niets mis mee, Van Patienten. Zolang ge het maar doet op uw eigen manier.

Weet ge waar het fout loopt Van Patienten? Als ge denkt dat ge anders moet worden. Dat ge een stage moet lopen. Dan gaat het niet meer, Van Patienten. Dan wringt het tegen. Dan gaat ge dingen doen tegen uw goesting. En dan hangt het uw voeten uit.

Wat heb ik u vorige keer gezegd? Geduld? Juist, ja. Dat staat helemaal bovenaan uw inventaris. Dat hebt ge goed onthouden. En waarover hebben we nog gesproken? De liefde, Van Patienten! Ge moet uzelf graag zien. Even graag als de anderen. En als ge u graag ziet, dan zult ge wel zien wie ge zijt. Ge hebt toch zelf gekozen voor deze stage? Niemand heeft u daar toch toe verplicht? Ge gaat het toch niet op al die mensen steken die u steunen in uw stage? Die van de Beursschouwburg en die van de VGC? Ge hebt er zelf om gevraagd. Ge hebt het zelf gewild. Ook die mensen moet ge graag zien, Van Patienten.

Mag ik eens goed lachen als ik lees dat ge u ongemakkelijk voelt, Van Patienten? Laat ons daar maar een ontje bijzetten als medicijn. Want ge bedoelt natuurlijk (on)gemakkelijk. Uw gemak is deel van uw ongemak. Uw stage, uw Odile, uw bij, uw Engels, uw pruik en uw Ant Hampton: het is allemaal deel van uw (on)gemak.

Allez. Doe maar gewoon voort met waar ge mee bezig zijt. Ge zijt goed bezig. En stopt nu maar met dat gezoek naar uzelf. Laat maar es af en toe uw kopke zakken. Dat doet deugd. Maar doet ondertussen ook eens uw oogskes open. Wat ziet ge dan? U zelf. Helemaal zoals ge zijt. Zijt ge dan niet blij, Van Patienten?

Het gaat u goed, Van Patienten. De Dokter ziet u graag.

Gegroet,

De Dokter

Van Patienten heeft een dipje (2)

Dag Dokter,

Van Patienten heeft een dipje. Soms wil ik gewoon mezelf zijn. Dan hangt die stage zo mijn voeten uit. Dat anders worden, ander worden, Odile zijn, Ant Hampton willen zijn. Ik word er helemaal ongemakkelijk van, Dokter. Ik doe nochtans mijn best. Ik spreek en schrijf Engels als het moet. Ik draag een pruik als het kan. Ik ben een bij als ze het me vragen. Ik ben man, vrouw, kind en volwassen. Ik heb zelfs een profiel op Facebook. En het werkt. De likes op Facebook en de bezoekers op de blog gaan in stijgende lijn. Maar soms, Dokter, ben ik een beetje bang van mezelf, van die andere persoon die ik aan het worden ben. Dan denk ik: wil ik dat wel? Ben ik dat nog?

Dokter, ik ben in de war. Soms wou ik dat ik een dokter was zoals u. Met een echt beroep, een echt kabinet, een echte job, met echte uren en echte patiënten. Dan zou ik niet zo lopen zoeken naar mezelf.

Kan u mij helpen, Dokter?

Dag Dokter.

U genegen,

Van Patienten