Commerçants, salesmen, dealers!

Dag Odile,P1060689

Commerçants, salesmen, dealers! De etiketten die we tegenwoordig niet allemaal opgeplakt krijgen. Het heeft geen naam. En nochtans heeft het wel een naam, een hele mooie naam, vinden we zelf. HANDELAARS is de naam. Wij zijn Handelaars. En om dat goed duidelijk te maken tijdens onze shop/work hebben we nu ook échte naamborden. Zie het daar staan, zwart op oranje: De Handelaars.

Met die borden is meteen ook het einde van de stage in zicht. Het einde van de stage is het begin van ons leven als Handelaars. En als Handelaars horen we er ook bij, net als Sonia, net als de Beursschouwburg of Ann of Fred die heel dat spel met die borden ooit is begonnen om de andere Handelaars er ook bij te doen horen.

Om maar te zeggen: we zijn er bijna. Nu nog de lijst van de ontmoetingen afronden. En dan kunnen we beginnen aan de inrichting van de shop/work. Nog vijf keer slapen en hij staat er. Nog zes keer en hij gaat open. Can’t wait.

Dag Odile!

Kus,

Odile

Advertenties

Save Dansaert Diversity

Dag Odile,P1060684

Save Dansaert Diversity staat er op de nieuwe affiches bij Stijl. Na de rot-op-poster is het nu de beurt aan de verander-niets-affiche. Na de onverdraagzaamheid volgt nu de conservatieve reflex.

Deze roep om diversiteit klinkt een beetje vreemd na dat stuk in Brussel Deze Week. Ging het daar net niet over minder diversiteit? Sprak Sonia zich daar niet uit tegen de Lidl aan het Goriksplein? En werd die filosofie niet gesteund door Schepen voor Handelaars Lemesre die minder bel- en nachtwinkels wil aan het einde van de Dansaertstraat?

Als je dan echt voor diversiteit bent, waarom vraag je dan niet meteen meer diversiteit? Dat wordt moeilijk want dan is er in deze wijk, naast de Lidl en de nachtwinkels, ook plaats voor Cos. Het gaat hier echter niet over meer diversiteit, maar wel over het behoud van de diversiteit die er al is. Dat lijkt me een beetje mager. Dan had de slogan moeten zijn: Safe Dansaert Diversity.

Want hoe divers is die diversiteit dan wel? Alle sympathie voor Au Fond, het restaurant dat plaats moet ruimen voor de supermarkt van Cos, maar toen Claude daar nog zat met La Cigogne was dit een buurtrestaurant. Nu is dit het stijlvolle restaurant voor de shoppers van de Dansaertstraat en zit Claude met zijn democratisch café-restaurant in de Vlaamsesteenweg. Als het gaat over diversiteit scoort Claude hoger dan Au Fond.

Gentrification heet de slinkende diversiteit – pardon: diversity – waarvan de Dansaertstraat en -wijk het slachtoffer is. Het zijn de regels van de markt. Winkels als Stijl hebben andere zaken aangetrokken die de huurprijzen in de wijk twintig jaar later naar ongeziene hoogten duwen. Vandaag kunnen enkel grote ketens zich die prijzen nog veroorloven. De komst van Cos is net het gevolg van te weinig diversiteit in deze straat.

Één van de zaken die de Dansaertstraat mee groot maakte is overigens Le Pain Quotidien. Vandaag is dat een internationale keten met vestigingen van Londen tot New York. Zullen we die dan ook maar uit de straat gooien? Door Le Pain Quotidien ziet de wereld er immers overal een beetje hetzelfde uit. Wie sprak er alweer over diversiteit? Het gaat hier helemaal niet over diversiteit, maar over stijl. Dat is zeer eng.

Waarom is de slogan op die meertalige affiches overigens altijd in het Engels, Odile? Klinkt dat beter bij het metropolitaan gegentrificeerde publiek van de Dansaertstraat?

Wat zeggen wij dan, Odile? Fuck Dansaert Diversity! There is no such thing as Dansaert Diversity!

Et maintenant, casse-toi Odile!

Bisou,

 

Odile

Het wordt een work/shop!

Dag Odile,Screen Shot 2015-05-25 at 10.33.41

Het wordt een work/shop! De shop/work eindigt met een work/shop. Ik heb het daarnet gelezen in de nieuwsbrief van garage64.

Perfect einde toch, voor onze Stage? En een mooi begin voor ons leven als Handelaars. Dat is wat we altijd al hebben gewild: workshops. Het was ons eerste idee voor deze stage. Maar het bleek nogal vroeg om daar meteen al mee te beginnen. We waren nog niet klaar om dat zelf te organiseren. En tegelijkertijd merkten we dat er al zoveel workshops waren: iedereen heeft wel een plek – een bureau, een café, een atelier, een winkel – om te doen wat je wil doen. Dus dachten we een jaar geleden: we bezoeken die bestaande plekken om te werken – die ateliers, werkwinkels: workshops – om er te kijken naar en te leren van de Handelingen die daar gebeuren. Zo bewoog onze stage van workshop naar workshop. En van het een komt het ander: nu hebben we eindelijk een échte workshop in onze eigen shop/work.

Want Fairuz en Maaike van garage64 zijn van ons: we hebben ze veel gezien tijdens onze stage. We maakten inserts samen. In verschillende formaten, op verschillende dragers en in verschillende oplagen. Maar wat al die inserts gemeen hebben is dat ze altijd opgaan in een omgeving. Grote posters verdwijnen in de architectuur, kleine kaartjes verdwijnen in een vestzak: de olifant in de kamer en de luis in de pels. We werken nu samen aan een boek om al die inserts van het afgelopen jaar te bewaren voor later: een jaarboek voor de toekomst.

Dat boek en die inserts is trouwens ook nog werk voor de shop/work. Kelly en Pieter van Schacht/Van Bogaert gaan daarmee werken, samen en apart. En er zijn nog vele andere gasten om te ontmoeten in de shop/work: Lieve en Aaf van het onthaal en An en Margareta en Yasmina van communicatie en Helena van programmatie, allemaal Handelaars van de Beursschouwburg. En Ann komt van Cabinet. En Fred van CutMe. En Kristien van Support de Fortune. En misschien nog meer volk. En er komt een Handelaarsfeestje voor iedereen om het einde van de Stage te vieren.

Zet het in uw agenda, Odile: 10 tot 20 juni, van donderdag tot zaterdag, tussen 12 en 20u: shop/work in de Beursschouwburg. Met een work/shop om te eindigen. Meer nieuws als er is.

Ik zal er ook zijn.

Dag Odile!

Kus,

 

Odile

Un bal fait pas de mal

Dag Odile,IMG_1940

Weet je wat er zo fijn is aan die stage? Dat je nog eens op plaatsen komt waar je anders niet binnen raakt. Zoals op de bijeenkomst van de buren van de Vlaamsesteenweg.

Het begon eigenlijk een week of twee geleden als een heuse Handelaarsvergadering – en nee, wij zitten daar voor niets tussen: dat komt allemaal vanzelf – en eindigt als een burenbijeenkomst en binnenkort ook een feest. De eerste vergadering was een soort reactie op het weekend van de Handelaars in de Lepagestraat. Die van de Vlaamsesteenweg waren daar ook graag bij geweest. Maar die van de Lepagestraat konden daar geen ja op zeggen want dan moesten ze ook ja zeggen tegen die van de Dansaertstraat die er ook bij willen zijn en dat willen die van de Lepagestraat dan weer niet. Ingewikkeld en eigenlijk ook niet: de kleintjes en de grote. Lepage en Dansaert. Dansaert en Cos. En uiteindelijk blijft iedereen alleen achter.

Weet je wat er zo fijn is aan die bijeenkomst in de Vlaamsesteenweg? Dat het niet enkel over de traditionele Handelaars gaat, maar ook over de bewoners van de straat. Die zitten hier allemaal samen rond de tafel. En in plaats van een zoveelste shopweekend krijg je dan een nieuw buurtfeest. 29 mei is de datum. Vanaf 17u eten en drinken in de straat en vanaf 20u30 bal in La Bellone. Un bal fait pas de mal, zeggen ze dan in de Vlaamsesteenweg.

En echt waar: wij zitten daar voor niets tussen. Maar we waren er wel bij. En we zagen hoe dat idee van de Handelaars werd opengetrokken: van ondernemingen met een Handelszaak en een vitrine naar bewoners die Handelen op een andere manier. Van een commerciële vorm van zelfpromotie naar het samenwerken aan een aangename straat om in te werken en te wonen. Daarin is de Vlaamsesteenweg groot: in het samenbrengen van kleine dingen. Bij de jaarlijkse brocante is dat ook zo: alle mensen van de straat – winkeliers, cafébazen, artisanalen en bewoners – tonen zich dan als Handelaars.

Die ongedwongen manier van Handelen, dat doet niemand ze na. Daar is geen overtreffende trap van. En baat het niet, dan schaadt het niet. zo is de filosofie van de Vlaamsesteenweg: Un bal fait pas de mal.

Alleen raar dat er één week eerder nog een feest is. Van die in het tweede deel van de straat. Ik stel voor dat we naar beide feesten gaan. Un bal fait pas de mal. En twee bals ook niet.

Dag Odile!

Kus,

 

Odile

Die Sonia toch!

Dag Odile,IMG_1915

Die Sonia toch! Wie begrijpt dat mens nog? Eerst komt ze bij Fred zagen of ze ook zo een pijl krijgt van zijn déviation/omlegging. Op zo een moment is iedereen verbaasd dat zij erbij wil horen. Zij, Sonia, de oerhandelaar die de Dansaertstraat en de wijk die er ondertussen naar heet op de kaart zette. En nu deelt ze zelf affiches uit tegen de komst van Cos naar de Dansaertstraat. Het luxueuze zusje van H&M, zo heet Cos in de krant. En toeval of niet, maar die rot-op-affiches hebben bijna net dezelfde kleur als die ik-hoor-er-ook-bij-pijlen van Fred. Kan je nog volgen?

Wie bepaalt hier eigenlijk wie erbij hoort en wie niet? Sonia? Als het aan haar ligt mag de Lidl aan het Goriksplein ook opkrassen. Dat past toch niet in het imago van de wijk waar zij al zo lang aan timmert! Ze vindt een medestander in de Brusselse Schepen voor Handelaars, Marion Lemesre. Die nachtwinkels op het eind van de Dansaertstraat? Geef die ook maar aan de arme Brusselse ontwerpers. Goede smaak heeft deze straat nodig. Wat zeg ik? Stijl! That is what this neighbourhood needs!

Leg dat maar eens uit aan die arme Belgische ontwerpers in de buurt die de deuren sluiten omdat ze de huur niet meer kunnen betalen. Franse modeketens betalen beter. Hoe komt dat? Omdat stijl is gaan bepalen wie erbij hoort en wie niet. Stijl is alles hier. En Cos? Dat heeft geen stijl. Je zou voor minder gaan sympathiseren met een Zweedse multinational.

Wat vinden wij trouwens van de stijl van die affiches, Odile?

Dag Odile!

Kus,

 

Odile

Die tafels voor de shop/work!

Re-board_1

Die tafels voor de shop/work! Ik krijg er een punthoofd van!

– Tafels? Shop/work? Vertel!

– Wel ja, Dokter. Voor de eindpresentatie van onze Stage organiseren we een shop/work in de Beursschouwburg. Dat idee van die winkel, dat speelt al langer door ons hoofd. En om iets te doen met een workshop ook. Maar omdat we niet goed weten hoe we dat moeten doen, hebben we de zaken wat omgedraaid en zijn we bij een shop/work uitgekomen: een winkel om te werken.

– En die tafels, Van Patienten?

– Wel ja, Dokter. We hebben toch meubels nodig voor de shop/work? Iets om al onze inserts op te schikken en om aan te werken. Het idee komt eigenlijk van dat boek dat U me ooit liet zien, over de Atlas van Aby Warburg. Het leek me wel fijn om onze inserts ook op zo een manier te schikken en te herschikken. Het mooie bij Warburgs iconografische kunstgeschiedenis (zeg ik dat juist, Dokter?), is dat hij zijn tableaus altijd opnieuw hergebruikt en herschikt. Dat willen wij ook doen op dit tafels. En als je die tafels verticaal zet, dan heb je een tableau, zoals bij Warburg.

– Dat heb je goed onthouden, Van Patienten. Maar wat is dan het probleem?

– Odile! Dat is het probleem, Dokter! Als ik zeg dat ik een tafel wil maken in de vorm van een H dan vindt ze dat eerst een goed idee en daarna begint ze daar allemaal vragen bij te stellen. Het is de H van Handelaars natuurlijk, maar het is ook een vorm waar je met twee personen aan kan werken. Een beetje zoals die schrijftafel van Bouvard & Pécuchet: een tafel voor twee mensen die elkaar héél graag zien. Perfect voor mij en Odile, dacht ik. Maar nu zegt ze dat ik beter met losse tafels werk, dat die H de shop/work te veel dreigt te blokkeren. Maar ik wil nog altijd met die losse tafels werken, Dokter. Twee van die tafels snij ik uit de binnenkanten van de H. En dan maak ik nog drie extra tafels in hetzelfde materiaal. En als we die H niet nodig hebben om aan te werken, dan zetten we ze gewoon tegen de muur. We kunnen het gebruiken als display. En als object zal dat ook goed geven. Allez, ik denk dat ze het nu wel begrepen heeft. Maar het kost zoveel tijd om dat allemaal uit te leggen. Ondertussen had ik die tafels al lang gemaakt!

– Maar dat is toch eigen aan het Handelen, Van Patienten? Dat zou je nu toch moeten weten na een jaar stage.

– Ik weet het wel, Dokter. Maar het is nog niet gedaan. Nu dat idee van die tafels en die H erdoor is, begint het gezever opnieuw. Deze keer gaat het over materialen. Als ik zeg zwarte MDF, zegt Odile dat bordverf beter is om op te schrijven en goedkoper ook. Als ik dan voorstel om Re-board te bestellen in Nederland omdat dat licht is en goedkoop, dan zegt Odile dat ik een lokale leverancier moet zoeken: dat is ecologischer. Alsof die lokale leverancier zijn grief niet van elders laat komen! Dat is allemaal wel heel interessant, maar het is ook zo vermoeiend. Odile weet geeneens iets van materialen. Ze kent het verschil nog niet tussen hout, MDF of Re-board. En dan zegt ze nog dat ik mijn hoofd koel moet houden ook! Ja, Dokter, dan begin ik pas echt te koken.

– En toch, Van Patienten, zegt dit veel over het Handelen. Over wat mensen doen, hoe ze het doen en waarom. Ik ken jullie allebei goed genoeg. Als de ene precies weet welk materiaal ze wil, zal de andere eerst gaan kijken welk materiaal er al is. Als de ene vertrekt van het materiaal dat ze mooi vindt, zal de andere zoeken wat meest efficiënt is. Dat is eigen aan het Handelen. Mag ik U nog eens herinneren aan het eerste woordje in de inventaris? Wat staat daar alweer, Van Patienten?

– Geduld, Dokter. Ik weet het wel. Maar Handelen kan soms zo ingewikkeld zijn. En dan heb ik het nog niet gehad over dat boek dat we gaan maken voor de shop/work. En die pijlen! Nog een geluk dat er zich niemand komt moeien met mijn stekjes. Die trekken zelf hun plan. Dat is nog eens een voorbeeld van geduld. Maar nu moet ik gaan. Ik heb al genoeg tijd verloren. Dag Dokter!

– Dag Van Patienten!

Bouvard et Pécuchet

Bouvard et Pécuchet, Dokter? Vertel!35388-0

Bouvard et Pécuchet, Van Patienten? Dat is een fascinerend boek. Het is geschreven door Gustave Flaubert. Hij schreef het aan het eind van zijn leven en het vertelt de avonturen van twee kopiisten.

– Kopiisten, Dokter?

– Ja, Flaubert schreef in de negentiende eeuw en toen waren er nog geen kopieermachines en zeker geen computers. Er was toen veel werk voor klerken die niets anders deden dan teksten overschrijven. Kopiëren was hun beroep.

– Wat is er dan zo fascinerend aan het boek, Dokter? Teksten overschrijven klinkt niet echt opwindend.

– Één van de fascinerende dingen aan dit boek is het schrijven zelf. Het proces – of in Uw taal, Van Patienten: de Handeling – van het schrijven. Dat begint bij het kopiëren van teksten en eindigt bij het schrijven van een roman. Bovendien is dit een boek met een begin maar zonder eind. Flaubert had geen tijd om de twee laatste hoofdstukken uit te schrijven. Hij sterft in 1880. De publicatie van zijn manuscript volgt in 1881. Van de laatste twee hoofdstukken staan in het boek enkel de nota’s van Flaubert. We leren daaruit dat Bouvard en Pécuchet opnieuw gaan kopiëren, zoals ze het altijd al hebben gedaan. Alleen doen ze het nu met meer overtuiging. Ze laten zich een dubbele lessenaar bouwen – een lessenaar die zijn eigen kopie al in zich draagt – waar ze samen aan kunnen werken en ze annoteren de gekopieerde teksten onderaan het blad. Met het laatste hoofdstuk wou Flaubert de gebeurtenissen nogmaals overlopen – niet als een kopie deze keer, maar wel als een kritiek van zijn eigen boek. Het is die kritische ingesteldheid die altijd al ontbrak bij de twee kopiisten.

– Wat kan ik me daarbij voorstellen, Dokter, bij die nota’s?

– Die beide laatste hoofdstukken nemen elk telkens één pagina in beslag. Ze sluiten opnieuw aan bij het eerste hoofdstuk waarin de personages elkaar ontmoeten. Het is een hernieuwde voorstelling van de personages.

– Een nieuw begin dus, in plaats van het einde dat er nooit is geweest.

– Eigenlijk wel, ja. Maar het belangrijkste deel van het boek zijn natuurlijk de hoofdstukken die daartussen staan en waarin de protagonisten de overgang maken van een bestaan als kopiist naar een bestaan als kopiist. Dit is een boek in de overgang. Die tussenhoofdstukken, die het grootste deel van het boek vullen, maken het extra interessant. Het geeft dit boek een plaats tussen de dingen.

– Dat is interessant! Handelaars zijn ook tussenpersonen, altijd tussenin: tussen de mensen en tussen de dingen.

– Precies. En het interessante an sich, Van Patienten, dat is misschien wel het eigenlijke onderwerp van dit boek: de inter-esse als een tussen-de-dingen-zijn. Dat is waar het boek mee begint: de attractie van de dingen. De kleine details, de toevallige gelijkenissen zorgen voor de bijzondere aantrekkingskracht tussen de twee mannen. Want op het eerste zicht zijn ze totaal verschillend: de dikke en de dunne, de impulsieve en de voorzichtige. Hun interesse ontstaat in de gelijkenissen: de keuze voor dezelfde bank aan het water, de gewoonte om hun naam – die uiteraard verschilt – in de binnenkant van hun pet te schrijven, een zekere desinteresse voor vrouwen – het andere – en verder is de ene kopiist in een handelszaak en de ander op een ministerie en zijn ze allebei 47 jaar.

– Alsof ze zichzelf ontdekken in de ander.

– Goed gezien, Van Patienten. Bovendien is dit niet het begin van een vriendschap, maar wel degelijk een coup de foudre: het begin van een passionele relatie, van een andere liefde. Allebei hebben ze genoeg van het werk: altijd diezelfde pennen, altijd diezelfde collega’s! Ze hebben genoeg van de monotonie. En terwijl ze zichzelf ontdekken verliezen ze ook een stuk van zichzelf. De balans van deze vriendschap zorgt voor een positieve en een negatieve interest.

– Balans, interest, Dokter: het lijkt wel een boekhoudersboek!

– Dat lijkt alleen maar zo, Van Patienten. Hun liefde is echt wel passioneel. De prille liefde in dat eerste hoofdstuk begint met een openbaring van een mogelijke wereld. Mogelijk, want herkenbaar, maar ook mogelijk, want met zicht op een andere werkelijkheid. Die interesse voor de ander, voor wat verschilt, ontstaat in de herkenning, in wat niet verschilt. Zoals de kennis van Bouvard en Pécuchet ontstaat in de gelijkenis. Het zijn en blijven kopiisten. Ook – of zelfs – als ze hun leven veranderen en de gekopieerde kennis omzetten in de praktijk. Ook dan blijven het kopiisten.

– Hoe verandert hun leven dan, Dokter?

– Ah ja, sorry, dat had ik eigenlijk eerst moeten vertellen. Als de ene een grote som erft van een vergeten nonkel legt de ander zijn spaarcenten bij en kopen ze samen een boerderij in Normandië. Ze gaan er boeren. Niet zoals de boeren die het van generatie op generatie leerden van elkaar, maar wel volgens de boeken. En als ze door de omstandigheden – die natuurlijk niet in de boeken staan – mislukken in de landbouw, verleggen ze hun aandacht naar andere interesses. Als daar zijn: de chemie, de archeologie, de literatuur, de politiek, de liefde, de lichamelijke opvoeding, de religie en de educatie.

– Dat is wel veel om allemaal te leren in één leven. Of in één boek.

– Ja, en er wordt dan ook nogal wat gestunteld in die centrale hoofdstukken. Bouvard en Pécuchet herkennen zichzelf in de en het andere, maar stuiten altijd weer op een verschil. Dat verschil staat voor een tekort, iets dat moet bijgepast worden en dat maakt dat ze moeten blijven bijstellen, proberen, onderhandelen, toenadering zoeken. En dat doen ze met plezier. Ze willen anders worden, zich het verschil eigen maken. Maar het heeft altijd iets stuntelig. Ze zien iets dat er niet is (nog niet, maar dat kan nog komen). Ze doen dingen die ze niet kunnen (nog niet, maar dat komt nog wel). Hun huis zit vol gaten en spleten, het eten trekt op niets, de oogst mislukt en toch zijn ze gelukkig. Ze leven in een fantasie – een andere wereld. Ze laten zich leiden door het boek zonder er echt veel van te leren. Het zal altijd stuntelig blijven zolang ze naar hetzelfde zoeken in de ander. De stunteligheid zal pas overwonnen worden door het zoeken naar het andere in de ander: wat natuurlijk niet in de boeken staat. Door de aanvaarding.

– Aanvaarding, Dokter? Van het stuntelen?

– Zo je wil, Van Patienten. Ik zou eerder zeggen: van het andere. Veel van dat stuntelen is het gevolg van een idealistische opvatting van de kopie. Bouvard en Pécuchet denken dat ze de kennis van de boeken zonder meer kunnen kopiëren en toepassen in hun dagelijkse Handelen. Ze houden geen rekening met het verschil dat eigen is aan elke herhaling. Meer zelfs: het is eigen aan elke kopie, aan het werk dat ze hun hele leven al doen. Daarom keren ze van de praktijk van de landbouw, van de scheikunde, van de liefde en al die andere domeinen van kennis die ze tegenkomen op hun weg uiteindelijk terug naar de praktijk van de kopie: de nulgraad als praktijk, waar de kopie samenvalt met zichzelf als origineel. Die nulgraad bereiken ze aan het einde van het boek. Op dat moment valt ook het boek samen met zichzelf en worden de twee klerken zichzelf in de overtreffende trap. Ze werken niet aan een gewoon individueel bureau, maar wel aan een dubbele, één die de eigen kopie al in zich draagt.

– Oh Dokter, wat kan u toch goed lezen! En het nog zo mooi navertellen ook.

– En pas op, Van Patienten, het is nog niet gedaan. Dit boek eindigt met een Dictionnaire des idées reçues: een woordenboek van gemeenplaatsen. Daarin zit niet zozeer een aanval op de bourgeoisie, maar wel op de petit-bourgeois. Het gaat over een herhaling, een kopie, van de bourgeois op een stuntelige manier: de farce van de bourgeoisie, waarin lieden die het niet kunnen, toch proberen te Handelen zoals de echte. Dit is een boek over het doen alsof. Bouvard en Pécuchet zijn begonnen als kopiisten en zullen ook zo eindigen. Alleen doen ze het nu met meer overtuiging.

– En volgens U begint dat dus allemaal met het schrijfproces. Met het Handelen van de schrijver Gustave Flaubert.

– Dat heb je goed onthouden, Van Patienten. In de nota’s van het laatste hoofdstuk maakt Flaubert zichzelf eigenlijk tot onderwerp van zijn boek. Hij geeft hier een kritiek op zijn eigen boek. De Dictionnaire des idées reçues die daarop volgt, is nog een extra herhaling van het boek. Daar begint de eeuwige wederkeer van het gelijke. Het is een bijlage en ook die is niet af: een extra verzameling nota’s bij een boek in wording.

– Begrijp ik het dan goed, Dokter, dat de lezer hier zelf schrijver moet worden om het boek te voltooien? Ik veronderstel dat niet alles wat U zonet vertelt ook letterlijk in het boek staat. Ik kan dus eigenlijk zonder overdrijven zeggen dat U coauteur bent van dit boek.

– Warempel, Van Patienten! Er schuilt een filosoof in U! Misschien heb je wel gelijk. Maar wat telt voor mij is dat dit boek, meer dan alle andere, de imaginaire praktijk van Flaubert als auteur toont. Dertig jaar heeft hij erover nagedacht. Tien jaar heeft hij eraan geschreven. Vijftienhonderd boeken heeft hij ervoor gelezen. En van daar is hij beginnen kopiëren, vervormen, citeren, verwijzen, spelen, experimenteren, uitvinden, aanpassen, omkeren, vervangen. Zijn imaginaire praktijk is een verborgen – in uw taal: (on)waarneembare – praktijk. Het ontstaat in de omstandigheden. Het is een gebeuren: geen object, geen beeld, geen tekst. Het (ont)staat tussen de dingen. Als een (on)(der)bewuste praktijk.

– Als ik U zo hoor, Dokter, dan lijkt Flaubert wel een soort Bouvard & Pécuchet in één persoon.

– Goed gezien, Van Patienten! Ken je die uitspraak van Flaubert? Madame Bovary, c’est moi. Dat gaat over een ander personage in een eerder boek. Ik had het zo nog niet bekeken. Maar misschien had hij na de publicatie van dit boek wel gezegd: Bouvard et Pécuchet, c’est moi.

– Ja, Dokter, zo ken ik er nog wel een paar. Je est un autre, bijvoorbeeld. Kent U die? Misschien moeten we hier maar stoppen. Niet, Dokter? Het is mooi geweest voor vandaag. Van Patienten ziet U graag.

– ?!?