Leren wat je niet weet

Leren wat je niet weet. Waarom toch al die moeite? Hebt u daar nooit een boekje over gelezen, Dokter?

– Zeker, Van Patienten. Je bent niet de enige die zich daar het hoofd over breekt. De traditie zegt dat de klassieke manier van leren vertrekt van de wil en leidt naar de emancipatie: waar een wil is, is een weg. Een weg naar een ander, in het beste geval: beter, leven. Ik heb hier een boekje van een Franse filosoof, Jacques Rancière: De onwetende meester. Het gaat over een Franse professor, Joseph Jacotot, die les gaat geven in een Vlaamse school. De eerste taak waar hij zich voor ziet geplaatst, is het vinden van een gemeenschappelijke taal. De professor moet zich verstaanbaar maken bij zijn leerlingen. Daarom geeft hij ze twee exemplaren van dezelfde tekst. De ene in het Nederlands en de andere in het ranciereignorantFrans. Zo kunnen ze vergelijken en achterhalen welk woord te vertalen door welk ander woord. Jacotot maakt van zijn onwetendheid een deugd en
onderricht zonder enige vorm van kennis door te geven. Wat hij wel doorgeeft is het instrument om die kennis te verwerven. Hij toont als onwetende de weg om de kwaliteiten die je al bezit aan het werk te zetten.

– Grappig: de leerling weet hier meer dan de meester.

– Ja en nee. De leerling weet andere dingen dan de meester. Jacotot vertrekt van het principe van de intellectuele gelijkheid. Dat is totaal tegenovergesteld aan het traditionele onderwijs, dat vertrekt van de ongelijkheid tussen de leerling en de leraar. Die ongelijkheid eindeloos in stand houden leidt volgens Jacotot naar domheid en afstomping. Jacotot’s principe van de gelijkheid is een axioma dat voortdurend moet geverifieerd worden. Het is de basisvoorwaarde voor de intellectuele emancipatie.

– Maar van Bouvard et Pécuchet herinner ik me toch dat je niet zomaar alles kan leren uit de boeken? Het instrument alleen is niet voldoende. Er hoort ook een ervaring bij.

– Daarom was Jacotot zijn tijd ver vooruit. Het verhaal van De onwetende meester situeert zich aan het begin van de negentiende eeuw, rond 1830. Dat van Bouvard et Pécuchet komt pas aan het eind van de eeuw, in 1880. Tussen die twee verhalen ontstaat aan de andere kant van de oceaan nog een heel ander Bartleby_the_Scrivenerverhaal. Dat van Bartleby, de klerk van Herman Melville die er op een bepaald moment de voorkeur aan geeft niet meer te kopiëren.

– Nog een kopiist? Net als Bouvard et Pécuchet! Maar de methode van Jacotot is er toch geen van kopiëren? Het is er een van vergelijken.

– Dat klopt. Maar Bartleby is om een andere reden interessant. Melville publiceert zijn novelle in 1853 en de positieve weigering van zijn personage werkt nog lang door in veel filosofische boeken. Één van de recente boeken in die reeks is van een Amerikaanse filosoof, John Paul Ricco: The logic of the lure. Het gaat over een (on)persoonlijke vorm van leren. Het gaat over de weigering, of liever: de voorkeur (en niet de wil) om iets niet te doen.0226711013

– En wat heeft dat met Bartleby te maken, Dokter?

– Wel, de voorkeur om iets niet te doen zit vervat in dat ene emblematische zinnetje dat Bartleby altijd maar blijft herhalen: I prefer not to. Het duidt op een voorkeur om niet te spreken. Het is een in zichzelf geplooide vorm van spreken. Zo raakt Ricco voorbij het primaat van de wil en het doelgerichte leren van Rancière en Jacotot. Dat begint bij het loslaten, bij de overgave aan een andere realiteit, een andere pedagogie die voorbij gaat aan de tekst, waar de tekst niet meer is dan een parenthese, altijd tussen. Ricco wijst de weg naar een ongeoorloofde pedagogische praktijk met onbepaalde dingen als onderwerp. Een pedagogie die zich radicaal buiten de dingen zet. Voorbij de dialectiek van binnen en buiten: een interval, ondertussen, ernaast en toch erin.

– Ik weet niet of ik het allemaal goed begrijp. Maar ik heb wel eens iets gelezen IMG_1014over de techniek van de dichter, die om zijn thema heen draait zonder het te benoemen. De dichter kneedt de taal. Hij Handelt met taal. Hij zet de taal naar zijn hand. Zoiets?

– Zoiets, ja. John Paul Ricco schrijft op een dichterlijke manier. Meer dan theorie noemt hij het zelf een vorm van poëzie, van erotiek. Net als in de erotiek is het onwaarneembare het object van het verlangen. Daar zit de verlokking – the lure – uit de titel. The logic of the lure begint als een zelfportret, in een zeer (on)persoonlijke ruimte: een darkroom in New York. Een ruimte om je over te geven aan de onzichtbare ander – op de tast, als een blinde. Van daar gaat het verder naar de kunst – het zichtbare – om ergens uit te komen in de buurt van het academische: het lees- en leerbare. Leren heeft hier met ruimtes te maken, met situaties die lokken en aantrekken. Het heeft met tijd te maken: met wachten, je overgeven aan de dingen.

– Met geduld dus. Daar weten wij als Stagiairs ondertussen alles van.

– Precies. Dit boek gaat – net als jullie Stage overigens – voorbij aan de wil en het verlangen. Het laat de dingen gebeuren. Terugkerende handelingen zijn de positieve weigering of de negatieve affirmatie: de voorkeur (en niet de wil) om iets niet te doen. Jullie spel met de (on)tjes schuurt daar dicht tegenaan. Veel speelt zich af op de grens van het zichtbare en het onzichtbare: het onwaarneembare. Tussen het bewuste en het onbewuste, tussen slapen en waken, ligt de wereld van de erotiek, van het stotteren, de hapering, het vergeten leren.

– En hoe brengt u dat alweer in verband met de ruimte? Dat is ook belangrijk voor ons. Wij willen een boek maken dat werkt als een ruimte. Dat is ons project voor de shop/work.

– Ook hier moet je de verbeelding laten werken, Van Patienten. Bij Ricco gaat het immers dikwijls over niet-ruimte. Wat jullie (on)ruimte zouden noemen. Ricco heeft het over een vorm van radical exteriority: een buiten dat buiten het buiten valt. Een buiten dat elke binnen-buiten dialectiek ongedaan maakt. Een atopische, duizelingwekkende plaats.

– Pardon?

– De notie van binnen en buiten heeft met een relatie te maken. Je bent altijd binnen of buiten ten opzichte van iets anders. Het radicale buiten waar Ricco over schrijft is een relatie die er geen meer is: niet binnen, niet buiten, maar binnen-buiten. Hij heeft het over being with-out: niet being with (een relatie), ook niet being without (geen relatie), maar being with-out (een niet relationele relatie). Het is een buiten dat zich situeert buiten elk buiten, een buiten dat komt. Om je dat buiten als relatie voor te stellen kan je denken aan een boot: altijd onderweg, altijd tussenin. Of aan de spiegel: wat de ene plaats met de andere verbindt, de overgang tussen twee ruimtes. De spiegel is een scherm, een vorm van marginale architectuur. Of niet echt een vorm, maar meer een kracht: vluchtig, poëtisch, erotisch. Die spiegel maakt van elk van die ruimtes een zelfportret. Het creëert in elk van die ruimtes een plaats voor het zelf. Trouwens, nu ik eraan denk: jij maakte toch ook zo een spiegel als scherm tussen, of naast, of buiten twee ruimtes voor je laatste tentoonstelling?

– Die spiegel gaat al langer mee, Dokter. Maar u ziet dus in die spiegel een ruimte die er geen is? Een verbinding zonder ruimte? Misschien moet ik hem meenemen naar de shop/work

– Ik zou het eerder een ruimte in wording noemen. Of in (on)wording misschien, om nog maar eens uw taal te gebruiken. Ricco heeft het over een coming of architecture without becoming architecture: een unbecoming architecture. Het is een vorm van marginale architectuur, zoals het kamerscherm waar Bartleby zich op een bepaald moment achter gaat verstoppen. Een architectuur die je niet als zodanig herkent. Een vormloze, informele architectuur, een beetje nonchalant, zoals jouw spiegel: niet binnen, ook niet buiten, maar wel een overgang tussen binnen en buiten. Een ad hoc architectuur, bepaald door de omstandigheden en niet door de architect. Een architectuur die je overkomt, niet één die je maakt. Dat unbecoming van de architectuur maakt ze onwaarneembaar: je kijkt erover, erdoor. Maar het maakt het ook beweeglijk, vluchtig.

– Die ruimtes waar u naar verwijst lijken wel altijd zeer artificieel, Dokter.

– Het hangt ervan af hoe je het bekijkt. De cruising ground, ontmoetingsplaatsen voor mannen zoals in het Warandepark hier in Brussel, is voor Ricco zo een vorm van beweeglijke architectuur. Het is een zeer concrete en toch plaatsloze plaats waar het zelf ruimte wordt: je wordt deel van de ruimte en vergeet jezelf. Dat noemt Ricco een niet suïcidaal onworden (unbecoming) van het zelf: een naast jezelf zijn.

– Dus dat van die wil van daarnet kunnen we nu wel helemaal vergeten: leren is iets dat je overkomt.

– Voor Ricco wel, ja. Je wordt aangetrokken tot het oneindige buiten door whatever lures you: een erotische ervaring. Het is een vorm van wachten zonder verwachting: een onvervulbaar wachten. Het heeft iets te maken met ascese: een becoming through the refusal of baggage. De darkroom waar Ricco zijn boek mee begint, is een buiten, buiten het buiten: een gemeenschap van zij die niets gemeen hebben. Passanten zonder bagage.

– Dat wil ik wel geloven. Die mannen in de darkroom hebben zelfs geen kleren aan!

– Jaja, Van Patienten. Het is niet dat soort verbeelding die Ricco aan het werk wil zetten. Allez, of toch niet alleen. Het is veel poëtischer dan dat. Ricco geeft nog andere voorbeelden van een verdwenen, ascetische, esthetiek, zoals Blue, de laatste film van Derek Jarman. Jarman maakte de film toen hij nagenoeg blind was. Zijn film bestaat uit één lang aangehouden monochroom blauw beeld: niet zichtbaar, niet onzichtbaar, maar onwaarneembaar. Het is een film die liever niet (prefers not to) een film is. Een film die niets visualiseert, behalve een potentieel of een voorkeur om niet te visualiseren. Een niet positieve affirmatie. Een film die zich naar de dood toewerkt en op het punt staat zichzelf te verliezen.derek_jarman_blue_derek_jarman_curated_by_isaac_julien_2008_1

– Hoe waren we daar weer op gekomen, Dokter?

– Wel, het ging over leren. Dat bracht me bij John Paul Ricco. Hij ijvert voor een vorm van Queer Pedagogy: leren in een ruimte waar niemand op zijn plaats zou moeten zijn. Het gaat over microscopische vormen van leren en herleren, de oneindige onderhandelingen waarmee we de wereld ontleren. Daarom eindigt het boek van Ricco in de slaapkamer, als een test voor de limieten van de pedagogie.

– Hahaha, leren in de slaapkamer, Dokter: slapen maakt vrij. Weet u nog?

– Ja, maar dat is hier wel ernstige materie hoor, Van Patienten! Die slaapkamer van Ricco past bij zijn kritische blik op de instellingen. Hij zoekt een pedagogische praktijk die voorbij gaat aan de institutionele ruimtes, zonder ze daarom uit het oog te verliezen: de slaapkamer is voor hem even belangrijk als het auditorium. Hij zoekt een anonieme, onwaarneembare, beweeglijke praktijk. Het is zijn verzet tegen de norm: de recente academisering van Queer Pedagogy – meestal heet dat dan Queer Studies – is een manier van controle, die leidt naar disciplinering. Voor Ricco is Queer Pedagogy per definitie vrij, voor altijd tussen: ware inter-esse.

– Een beetje zoals wij werken in en rond – of mag ik zeggen: tussen? – de Beursschouwburg: een instelling waarin we ons met een kritische blik bewegen zoals in een stad. Nu u het zegt, Dokter: in de aanloop naar de shop/work mogen we het appartement van de Beursschouwburg gebruiken. Zo eindigt onze Stage ook in de slaapkamer: Queer Pedagogy!

– Jaja, Van Patienten. Je hebt het weer goed begrepen. Ga nu maar naar huis. De dokter ziet u graag.

Advertenties

Dokter?

Dokter?

– Van Patienten!

– Ik heb een probleem…

– Wat nu weer?!

– Gisteren gingen we naar een gesprek over Someone Else, het inspirerende werk van ons grote voorbeeld Ant Hampton. In de uitnodiging was sprake van een ronde tafel, zoals bij de ridders. Maar hier waren de aanwezigen allemaal kunstenaars. En de ronde tafel was eigenlijk de salon van één van de kunstenaars. Ik heb me zelden zo ongemakkelijk gevoeld.

– Je bedoelt natuurlijk (on)gemakkelijk, Van Patienten. Ik begin je een beetje te kennen. Jouw gemak is altijd al deel van je ongemak. Niet waar?

– Niet echt, Dokter. Deze keer was het helemaal anders. Eerst dacht ik ook dat dit wel ging overwaaien, dat ik mijn gemak nog wel zou vinden in mijn (on)gemak. Maar een half uur later was dit (on)tje haar haakjes helemaal kwijt. Ik blokkeerde en kreeg geen woord meer over mijn lippen. En dan hadden we nog twee uur te gaan, Dokter. Dat was pijnlijk.

– Had je dan niets meer te vertellen, Van Patienten? Of was het een kwestie van durf?

– Beide, Dokter. Alles waar ik eerder aan dacht bij dat werk van Ant Hampton leek nu totaal irrelevant. Eerst leek het alsof ik de enige was die het werk begreep. Daarna leek het alsof iedereen over een ander werk praatte.

– Hoezo? Kan je dat uitleggen, Van Patienten?

– Wel, Dokter, u bent eigenlijk de dokter hier. Maar ik zal het proberen. Ik denk dat het iets met ego’s te maken heeft. Iedereen zit daar met een eigen agenda. Net zoals wij: wij houden van dit werk omdat we er zoveel verwantschap in zien met de Handelaars: het kijken naar de ander, de aandacht voor de omgeving, het inleven in de ander,… De eerste opmerkingen rond de tafel, pardon: in het salon, leken dat ook te bevestigen. Maar zeer snel werden ze overschaduwd door gevoelens van verzet en ongeduld. Verzet tegen de opdracht van Ant Hampton om nu zelf de straat op te gaan en een vreemde aan te spreken. Ongeduld omdat het vooraf opgenomen deel van het werk zolang duurt: zo lang dat je daarna geen zin meer hebt om de eigenlijke opdracht nog uit te voeren. In beide gevallen, Dokter, denk ik dat het erom gaat geen afstand te kunnen nemen van het eigen ego. Veel in dit werk steunt op een vorm van overgave: je lot in handen leggen van een ander (de kunstenaar Ant Hampton, de acteurs op de soundtrack, je partner naast je, de passanten aan de andere kant van het raam van de Beursschouwburg,…). Daar voelde ik ook eerst een (on)gemak. Dat is deel van de slimme aanloop van het werk. Het gemak is er gekomen op dat cruciale moment waarop ik die hand voelde op mijn schouder. Dat werkt alleen als je je laat gaan als een stroom in een stroom. Dat is het moment waarop je afstand moet nemen van je ego: je moet het vloeibaar laten worden, laten stromen. Elk verzet is nutteloos daar. Elk verzet is een volharding – wat zeg ik? een verharding – van je ego. Dat is dodend voor dit werk.

– En het ongeduld? Kan je daarover iets zeggen, Van Patienten?

– Wel, Dokter, het is mijn bescheiden mening dat veel in dit werk met tijd heeft te maken. Je hebt tijd nodig om erin te komen en over (of in) je (on)gemak te raken. En ook als je denkt dat het werk is afgelopen moet je de tijd laten werken. Dit werk is eigenlijk nooit afgelopen. Mensen die beweren dat je een tijdskader (een time frame, want het gesprek verliep in het Engels: we zijn in Brussel, onder kunstenaars) nodig hebt voor het uitvoeren van de opdracht hebben niets van dit werk begrepen. En mensen die het opgenomen deel van het werk te lang vinden in verhouding tot de opdracht al evenmin. Je moet de tijd laten werken. De tijd van het werk moet de jouwe worden. Je moet letterlijk je tijd nemen.

– Kan je nog eens vertellen wat de opdracht precies inhoudt?

– Wel, de opdracht is de straat opgaan, een vreemde aanspreken en er een gesprek mee voeren. Wij, als aspirant-Handelaars, herkennen ons daarin. Dat is wat we altijd al willen doen: vragen aan de anderen wat ze doen, hoe ze het doen en waarom ze het doen. Dat is veel moeilijker dan het lijkt. We hebben het geprobeerd in de Beursschouwburg en in de buurt. Niet het aanspreken van anderen is moeilijk. Wel het uitdiepen van het gesprek dat erop volgt: dat blijft heel lang op het niveau van de small talk. Daar moet je doorheen. En daarvoor moet je afstand nemen van je ego om je in te leven in de ander. Dat heeft tijd nodig. Het probleem is dat nogal wat mensen rond de tafel, pardon: in het salon, in al hun ongeduld de opdracht banaliseren. Natuurlijk is het niet moeilijk om een vreemde aan te spreken. Daar is zelfs niet echt veel durf voor nodig. De moeilijkheid – en de durf – schuilt in de diepgang: om het gesprek persoonlijk te maken, om er iets van jezelf in te leggen en zo iets terug te krijgen van de ander. Dat is een heel delicate oefening en daar is veel tijd voor nodig.

– Wat je hier zegt, Van Patienten, klinkt zeer relevant. Waarom heb je dat daar niet in de groep gegooid?

– Omdat ik niet voorbij de ego’s raakte. Diep in mij groeide een verzet tegen het verzet en een ongeduld met het ongeduld.

– Waar zit het probleem dan, Van Patienten? In het ego van de ander? In het verzet en het ongeduld van de ander? Over wiens ego, wiens verzet en wiens ongeduld gaat het hier eigenlijk, Van Patienten?

– Wat nu, Dokter? Is het dan weer allemaal mijn fout?

– Dat zeg ik niet, Van Patienten. Maar wat je vertelt over het ego, het verzet en het ongeduld van de ander blijkt evengoed van toepassing op jouw ego, verzet en ongeduld. En daar is niets mis mee. Dat lijkt me net zeer gezond. het komt er nu op aan om ook aan jouw ego, verzet en ongeduld de tijd en de ruimte te geven die het verdient. Het is helemaal niet erg dat je gisteren niet hebt gesproken. Dit verhaal is nog niet afgelopen. Neem het op jouw ritme, geef het jouw tijd en je zal zien dat je toch nog je gemak zal vinden in je (on)gemak. Allez, onze tijd zit erop. Ga nu maar weer naar huis. De Dokter ziet u graag.

Wat is ’t nu weer

Van Patienten?

Wat is ’t nu weer! Ge zijt hier nog maar pas geweest en ge staat daar alweer. Wat is uw probleem eigenlijk?

Ge wilt uzelf zijn? En ge wilt dat ik u daarbij help? Welnu, mijn beste Van Patienten, ik zal u direct helpen. Ik zal eens goed naar u kijken met mijne kijker. En ik zal u zeggen wat ik zie: u zelf. En ik zal eens goed naar u luisteren met mijn stethoscoop. Wat hoor ik? Juist ja: u zelf.

Wat ge moet doen Van Patienten? Uzelf aanvaarden zoals ge zijt. Vandaag zijt ge een stagiair. Dat wil zeggen dat ge aan het leren zijt. Ge groeit nog elke dag. En met u, uw kennis. Ge kijkt hoe anderen Handelen. Ge vraagt wat ze doen en waarom. En dan probeert ge het zelf ook. Zo wordt ge altijd een beetje anders, ge gaat altijd wat meer lijken op die ander. En daar is niets mis mee, Van Patienten. Zolang ge het maar doet op uw eigen manier.

Weet ge waar het fout loopt Van Patienten? Als ge denkt dat ge anders moet worden. Dat ge een stage moet lopen. Dan gaat het niet meer, Van Patienten. Dan wringt het tegen. Dan gaat ge dingen doen tegen uw goesting. En dan hangt het uw voeten uit.

Wat heb ik u vorige keer gezegd? Geduld? Juist, ja. Dat staat helemaal bovenaan uw inventaris. Dat hebt ge goed onthouden. En waarover hebben we nog gesproken? De liefde, Van Patienten! Ge moet uzelf graag zien. Even graag als de anderen. En als ge u graag ziet, dan zult ge wel zien wie ge zijt. Ge hebt toch zelf gekozen voor deze stage? Niemand heeft u daar toch toe verplicht? Ge gaat het toch niet op al die mensen steken die u steunen in uw stage? Die van de Beursschouwburg en die van de VGC? Ge hebt er zelf om gevraagd. Ge hebt het zelf gewild. Ook die mensen moet ge graag zien, Van Patienten.

Mag ik eens goed lachen als ik lees dat ge u ongemakkelijk voelt, Van Patienten? Laat ons daar maar een ontje bijzetten als medicijn. Want ge bedoelt natuurlijk (on)gemakkelijk. Uw gemak is deel van uw ongemak. Uw stage, uw Odile, uw bij, uw Engels, uw pruik en uw Ant Hampton: het is allemaal deel van uw (on)gemak.

Allez. Doe maar gewoon voort met waar ge mee bezig zijt. Ge zijt goed bezig. En stopt nu maar met dat gezoek naar uzelf. Laat maar es af en toe uw kopke zakken. Dat doet deugd. Maar doet ondertussen ook eens uw oogskes open. Wat ziet ge dan? U zelf. Helemaal zoals ge zijt. Zijt ge dan niet blij, Van Patienten?

Het gaat u goed, Van Patienten. De Dokter ziet u graag.

Gegroet,

De Dokter

Your hand on my shoulder

My dear Odile, my other me,P1060653

Your hand on my shoulder made me slightly (un)easy. First it came as a shock: somebody touching me from behind. Even though I knew it was your hand – who else could it be? – it felt like an intrusion. But soon it became a feeling of comfort. The ease you get when you feel protected by someone who cares for you. Or is guided the word to use here? Because both of us were wearing headphones, listening to a voice that told us exactly what to do: step by step, hand by hand.

So there we were, standing and sitting in front of the large glass door of the Beursschouwburg, listening to that voice, looking at the world: performers, enjoying the performance. Step by step, hand by hand, we were becoming ‘Someone Else’. That is the name of the performance. Looking at the theatre of the street. Pointing at it. Reaching out for it. Trying to touch it, to grab it. We hardly got any further than our shoulders.

‘Someone Else’ is a performance by the artist named Ant Hampton. It is about borders. About being in- or outside. It is about the other. About becoming other, becoming different. It is about time. About how things change over time. About how things happen. And about how to let them happen.

We felt being looked at from the outside. There too: the same (un)ease as with your hand on my shoulder. We were exposed to the world but protected by a shield of glass and sound. We were performers, listening, watching, sitting, standing at a threshold. We were we and they were them. We were in and they were out. We were performer and they were audience. Or was it the other way around?

We adore this kind of vagueness. Don’t we, Odile? We love it to find ourselves, while becoming other. That is the core, the essence, the goal of our training. That is what we do as trainees: watching and waiting and moving where the wind blows. This performance is made for trainees like us.

Why can’t we also direct a performance like that? Wouldn’t that be an idea for our end presentation in June? All we have to do is make a script, find some actors to lend their voices for a soundtrack and look for an audience as performer. Why not? The problem is, of course, that we are still looking for our own instructions for our own training. We haven’t found the right manual yet. We are still in the process of writing our manual. While here it is ready and available in a nice little white book in a safe little black box with a tiny lock and a tiny key.

Dear Ant Hampton: how do we proceed? Can you learn us how to become real Handlers? To write our own manual? To work with our own hands, just like we did in your performance? Can you write a soundtrack for our lives? Show us the way to really step over the threshold, go to the other, open our mouths and talk to them? Because that is what we want to do. To become our own still life, our own performers. To find the stranger that is hidden inside ourselves. Please send us your advice at wijzijnhandelaars@hotmail.com.

For the record, Odile: we did make it to the outside. But always guided and protected by the voice, as a shield over our heads. We ended the performance on the stairs of the Beursschouwburg, a few steps away from the door where we’ve been sitting all that time. We looked at a couple that vaguely resembled ours at the other side of the street, in front of the Marriott Hotel. They were shaking hands, doing business, being Handlers while we were standing there and looking at them. We lowered our heads and looked at our feet. We watched the stairs under our feet. The very same stairs we used for the insert in the program booklet of the Beursschouwburg. We looked at the tags, left there by visitors, as inserts for the city. And then the voice asked us to turn our heads and look at the wall of the building. There we found a tag left by Ant Hampton: an insert for performers to come.

Would you like to be my Ant Hampton, Odile?P1060656

Goodbye Odile!

Kiss,

Odile

And then I was blonde

Greetings Odile!IMG_1773

And then I was blonde. Platinum blonde, Odile. It happened at Karaoke (Art) at good old Beursschouwburg. I put on my wig, bought a vintage pair of sunglasses, drank a few beers and threw myself in the game.

It worked. As soon as I entered the room I was announced. The American guy with the moustache called me a mystery guest. Don’t we like that, Odile? Isn’t this what we do as trainees? Becoming mysterious inserts? Becoming other? And isn’t this what karaoke is all about? To insert yourself into the line of songs? To become your favourite artist by interpreting his favourite song? To become other?

Oh yes, it worked, Odile. Everybody saw me, but many didn’t recognize me. I spoke English, because that is what artists do in Brussels. And when I sang, I put some phrases from other songs between the lines, like inserts. That is what we do as trainees at Beursschouwburg.

I used some lines from this crazy Flemish band, Kenji Minogue. I discovered them on You Tube, the other day, and I adore them. They also like wigs and sun glasses. And nobody, not even native Flemish speakers, seems to understand their dialect. Tbehin ziejre te koelnjaja. Means something like it’s getting chilly out here.

I had such fun, Odile. But you couldn’t notice. Because I was so cool. I had allure. Unlike the others in the house, I behaved very serious. People were queuing to sing. And there was punch with lots of vodka that made people drunk. And so nobody noticed the (Art) part of the karaoke anymore. (Art) never felt so good. It never was so vague, never so alive. It inserted itself so well into the joy of the evening.

That is what you get when you put it between brackets. It’s like with the (on)tjes. How do I translate that? (Un)dies? We call it the affirmative negation. You put (un) before any word and it becomes weaker and stronger at the same time. (Un)easy: the unease becomes part of the easiness, or vice versa. By putting the (art) between brackets it becomes more and less art. Less: it disappears in the singing of the karaoke. More: it became more intense because of the singing that made people part of the work. Anybody can sing, Odile. Anybody can be an artist.

Did you also notice that the form of my wig resembles the form of brackets? It makes me vague and more present at the same time.

You like it when I (dis)appear, Odile?

Goodbye Odile!

Kiss,

Odile

Een selfie

Dag Odile,

IMG_1483 Een selfie. Zegt je dat iets, Odile? Natuurlijk wel. Het is zowat het meest gebruikte woord van het afgelopen jaar. En voor jou betekent het nog net iets meer.

Het betekent je bevestiging als stagiair, maar bovendien ook je erkenning als kunstenaar. Deze zomer maak je een zeer bijzondere selfie voor het Transformers programma van de Beursschouwburg. Zeer bijzonder, omdat het de eerste keer is tijdens je stage dat je een opdracht krijgt als kunstenaar. Nog meer bijzonder omdat je de selfie ziet hangen, als een grote poster, op de gevel van de Beursschouwburg, nog voor het Transformers programma begint. En wat die selfie van in het begin bijzonder maakt, is de vraag om er een masker voor op te zetten. Hoe meer (on)persoonlijk kan een selfie zijn?

Voor je selfie zet je dat masker op ongeveer elk lichaamsdeel dat daarvoor kan dienen. Die op je oor haalt het uiteindelijk. Dat mag allemaal na je promotie van stagiair tot kunstenaar. Je oor als selfie. Alsof je eerst wil luisteren vooraleer je ergens je neus insteekt (en die neus steek je uiteindelijk ook in dat masker, wat had je gedacht?).

Wat leer je daarvan, Odile? Dat een selfie wel zeer anoniem kan worden. Je reduceert je zelf tot iets wat je wil dat de ander ziet. In jouw geval is dat je oor. Je wordt anders om je zelf te tonen. Jouw masker is zoals andermans make-up. Je leert goed na te denken vooraleer je een beeld van je zelf de wereld instuurt.

De andere stagiairs lachen met je selfie. Maar voor jou is dit bloedernstige materie. Ze zingen: ik ben zo blij / zo blij / dat mijn neus van voren zit / en niet opzij. Ze spotten, maar eigenlijk zijn ze jaloers. Dat jij gekozen bent als kunstenaar en niet zij. Ze maken er een carnaval van.

Over carnaval gesproken. Het is weer die tijd van het jaar waarin frustraties verpakt worden als spot. De tijd waarin maskers vallen en andere in de plaats komen. De tijd van de breindodende liedjes die iedereen kan zingen zonder na te denken. Ik ben zo blij / zo blij…

Voor jou, Odile, ligt het anders. Je bent niet enkel een leergierig stagiair die in elke kans een lesje vindt. Je bent intelligent en denkt bij elke Handeling over het wat, hoe en waarom. En bovendien ben je nu ook een kunstenaar wiens werk een plaats verdient in een traditie van maatschappelijk verantwoord werk. Je denkt aan recente protesten waarin het masker (Guy Fawkes), de gedeelde identiteit (Anonymous) en het opgaan in de massa (de 99%) een grote rol spelen.

Welk masker draag je vandaag, Odile?

Dag Odile!

Kus,

 

Odile

 

(dis)quiet

Dag Odile,

(dis)quiet(dis)quiet1Dat kleef je tijdens je stage op de muur van je tijdelijke kantoor. Waarom doe je dat, Odile?

Vertaal het als (on)rust. Of (on)gemak. Die (on)tjes, Odile, dat wordt zo stilaan je handelsmerk: de (ont)kennende bevestiging. Alsof je rust altijd al deel is van je onrust; je gemak altijd al deel van je ongemak (en omgekeerd). Hoe kom je daarbij, Odile?

Heeft die (dis)quiet op de muur van je stagekantoor iets te maken met de lege muur waarop je die insert kleeft? Want je hebt eerst – alsof je een inventaris wou maken van handelingen in het gebouw – alle inserts van alle muren van alle kantoren gehaald. Die heb je – alsof je het gebouw binnenstebuiten wou keren – verzameld op één muur in de meest publieke plaats van: het café. Is het die witte muur die je (on)gemakkelijk maakt? Zoals de (on)rust van de schrijver voor het witte blad?

Misschien heeft je (on)gemak niet zozeer met die muur te maken, Odile, maar wel met de plek? Het is een zeer rustige plek. Of eigenlijk: het is een plek waar je rustig hoort te zijn. Het is een gedeeld kantoor, waarin jouw (on)rust ook die van de ander is.

Zet je daarom (dis)quiet, in het Engels? Zo kan iedereen het begrijpen. En zet je daarom ook de fonetische spelling erbij? Zo moet niemand het nog luidop lezen.

Misschien heeft je (on)rust ook iets te maken met je (on)persoonlijke houding als stagiair. Dat (on)persoonlijke is niet enkel deel van je (on)gemak, het zorgt ook voor (on)rust bij de anderen: de anderen waarmee je dat kantoor deelt, de anderen die je opzoekt in de andere kantoren, de (on)bekende anderen tot wie je je richt met die insert(s).

Concrete vaagheid. Zo noemde iemand dat onlangs. Maar dat, Odile, is alweer een ander verhaal.

Dag Odile!

Kus,

Odile