Bouvard et Pécuchet

Bouvard et Pécuchet, Dokter? Vertel!35388-0

Bouvard et Pécuchet, Van Patienten? Dat is een fascinerend boek. Het is geschreven door Gustave Flaubert. Hij schreef het aan het eind van zijn leven en het vertelt de avonturen van twee kopiisten.

– Kopiisten, Dokter?

– Ja, Flaubert schreef in de negentiende eeuw en toen waren er nog geen kopieermachines en zeker geen computers. Er was toen veel werk voor klerken die niets anders deden dan teksten overschrijven. Kopiëren was hun beroep.

– Wat is er dan zo fascinerend aan het boek, Dokter? Teksten overschrijven klinkt niet echt opwindend.

– Één van de fascinerende dingen aan dit boek is het schrijven zelf. Het proces – of in Uw taal, Van Patienten: de Handeling – van het schrijven. Dat begint bij het kopiëren van teksten en eindigt bij het schrijven van een roman. Bovendien is dit een boek met een begin maar zonder eind. Flaubert had geen tijd om de twee laatste hoofdstukken uit te schrijven. Hij sterft in 1880. De publicatie van zijn manuscript volgt in 1881. Van de laatste twee hoofdstukken staan in het boek enkel de nota’s van Flaubert. We leren daaruit dat Bouvard en Pécuchet opnieuw gaan kopiëren, zoals ze het altijd al hebben gedaan. Alleen doen ze het nu met meer overtuiging. Ze laten zich een dubbele lessenaar bouwen – een lessenaar die zijn eigen kopie al in zich draagt – waar ze samen aan kunnen werken en ze annoteren de gekopieerde teksten onderaan het blad. Met het laatste hoofdstuk wou Flaubert de gebeurtenissen nogmaals overlopen – niet als een kopie deze keer, maar wel als een kritiek van zijn eigen boek. Het is die kritische ingesteldheid die altijd al ontbrak bij de twee kopiisten.

– Wat kan ik me daarbij voorstellen, Dokter, bij die nota’s?

– Die beide laatste hoofdstukken nemen elk telkens één pagina in beslag. Ze sluiten opnieuw aan bij het eerste hoofdstuk waarin de personages elkaar ontmoeten. Het is een hernieuwde voorstelling van de personages.

– Een nieuw begin dus, in plaats van het einde dat er nooit is geweest.

– Eigenlijk wel, ja. Maar het belangrijkste deel van het boek zijn natuurlijk de hoofdstukken die daartussen staan en waarin de protagonisten de overgang maken van een bestaan als kopiist naar een bestaan als kopiist. Dit is een boek in de overgang. Die tussenhoofdstukken, die het grootste deel van het boek vullen, maken het extra interessant. Het geeft dit boek een plaats tussen de dingen.

– Dat is interessant! Handelaars zijn ook tussenpersonen, altijd tussenin: tussen de mensen en tussen de dingen.

– Precies. En het interessante an sich, Van Patienten, dat is misschien wel het eigenlijke onderwerp van dit boek: de inter-esse als een tussen-de-dingen-zijn. Dat is waar het boek mee begint: de attractie van de dingen. De kleine details, de toevallige gelijkenissen zorgen voor de bijzondere aantrekkingskracht tussen de twee mannen. Want op het eerste zicht zijn ze totaal verschillend: de dikke en de dunne, de impulsieve en de voorzichtige. Hun interesse ontstaat in de gelijkenissen: de keuze voor dezelfde bank aan het water, de gewoonte om hun naam – die uiteraard verschilt – in de binnenkant van hun pet te schrijven, een zekere desinteresse voor vrouwen – het andere – en verder is de ene kopiist in een handelszaak en de ander op een ministerie en zijn ze allebei 47 jaar.

– Alsof ze zichzelf ontdekken in de ander.

– Goed gezien, Van Patienten. Bovendien is dit niet het begin van een vriendschap, maar wel degelijk een coup de foudre: het begin van een passionele relatie, van een andere liefde. Allebei hebben ze genoeg van het werk: altijd diezelfde pennen, altijd diezelfde collega’s! Ze hebben genoeg van de monotonie. En terwijl ze zichzelf ontdekken verliezen ze ook een stuk van zichzelf. De balans van deze vriendschap zorgt voor een positieve en een negatieve interest.

– Balans, interest, Dokter: het lijkt wel een boekhoudersboek!

– Dat lijkt alleen maar zo, Van Patienten. Hun liefde is echt wel passioneel. De prille liefde in dat eerste hoofdstuk begint met een openbaring van een mogelijke wereld. Mogelijk, want herkenbaar, maar ook mogelijk, want met zicht op een andere werkelijkheid. Die interesse voor de ander, voor wat verschilt, ontstaat in de herkenning, in wat niet verschilt. Zoals de kennis van Bouvard en Pécuchet ontstaat in de gelijkenis. Het zijn en blijven kopiisten. Ook – of zelfs – als ze hun leven veranderen en de gekopieerde kennis omzetten in de praktijk. Ook dan blijven het kopiisten.

– Hoe verandert hun leven dan, Dokter?

– Ah ja, sorry, dat had ik eigenlijk eerst moeten vertellen. Als de ene een grote som erft van een vergeten nonkel legt de ander zijn spaarcenten bij en kopen ze samen een boerderij in Normandië. Ze gaan er boeren. Niet zoals de boeren die het van generatie op generatie leerden van elkaar, maar wel volgens de boeken. En als ze door de omstandigheden – die natuurlijk niet in de boeken staan – mislukken in de landbouw, verleggen ze hun aandacht naar andere interesses. Als daar zijn: de chemie, de archeologie, de literatuur, de politiek, de liefde, de lichamelijke opvoeding, de religie en de educatie.

– Dat is wel veel om allemaal te leren in één leven. Of in één boek.

– Ja, en er wordt dan ook nogal wat gestunteld in die centrale hoofdstukken. Bouvard en Pécuchet herkennen zichzelf in de en het andere, maar stuiten altijd weer op een verschil. Dat verschil staat voor een tekort, iets dat moet bijgepast worden en dat maakt dat ze moeten blijven bijstellen, proberen, onderhandelen, toenadering zoeken. En dat doen ze met plezier. Ze willen anders worden, zich het verschil eigen maken. Maar het heeft altijd iets stuntelig. Ze zien iets dat er niet is (nog niet, maar dat kan nog komen). Ze doen dingen die ze niet kunnen (nog niet, maar dat komt nog wel). Hun huis zit vol gaten en spleten, het eten trekt op niets, de oogst mislukt en toch zijn ze gelukkig. Ze leven in een fantasie – een andere wereld. Ze laten zich leiden door het boek zonder er echt veel van te leren. Het zal altijd stuntelig blijven zolang ze naar hetzelfde zoeken in de ander. De stunteligheid zal pas overwonnen worden door het zoeken naar het andere in de ander: wat natuurlijk niet in de boeken staat. Door de aanvaarding.

– Aanvaarding, Dokter? Van het stuntelen?

– Zo je wil, Van Patienten. Ik zou eerder zeggen: van het andere. Veel van dat stuntelen is het gevolg van een idealistische opvatting van de kopie. Bouvard en Pécuchet denken dat ze de kennis van de boeken zonder meer kunnen kopiëren en toepassen in hun dagelijkse Handelen. Ze houden geen rekening met het verschil dat eigen is aan elke herhaling. Meer zelfs: het is eigen aan elke kopie, aan het werk dat ze hun hele leven al doen. Daarom keren ze van de praktijk van de landbouw, van de scheikunde, van de liefde en al die andere domeinen van kennis die ze tegenkomen op hun weg uiteindelijk terug naar de praktijk van de kopie: de nulgraad als praktijk, waar de kopie samenvalt met zichzelf als origineel. Die nulgraad bereiken ze aan het einde van het boek. Op dat moment valt ook het boek samen met zichzelf en worden de twee klerken zichzelf in de overtreffende trap. Ze werken niet aan een gewoon individueel bureau, maar wel aan een dubbele, één die de eigen kopie al in zich draagt.

– Oh Dokter, wat kan u toch goed lezen! En het nog zo mooi navertellen ook.

– En pas op, Van Patienten, het is nog niet gedaan. Dit boek eindigt met een Dictionnaire des idées reçues: een woordenboek van gemeenplaatsen. Daarin zit niet zozeer een aanval op de bourgeoisie, maar wel op de petit-bourgeois. Het gaat over een herhaling, een kopie, van de bourgeois op een stuntelige manier: de farce van de bourgeoisie, waarin lieden die het niet kunnen, toch proberen te Handelen zoals de echte. Dit is een boek over het doen alsof. Bouvard en Pécuchet zijn begonnen als kopiisten en zullen ook zo eindigen. Alleen doen ze het nu met meer overtuiging.

– En volgens U begint dat dus allemaal met het schrijfproces. Met het Handelen van de schrijver Gustave Flaubert.

– Dat heb je goed onthouden, Van Patienten. In de nota’s van het laatste hoofdstuk maakt Flaubert zichzelf eigenlijk tot onderwerp van zijn boek. Hij geeft hier een kritiek op zijn eigen boek. De Dictionnaire des idées reçues die daarop volgt, is nog een extra herhaling van het boek. Daar begint de eeuwige wederkeer van het gelijke. Het is een bijlage en ook die is niet af: een extra verzameling nota’s bij een boek in wording.

– Begrijp ik het dan goed, Dokter, dat de lezer hier zelf schrijver moet worden om het boek te voltooien? Ik veronderstel dat niet alles wat U zonet vertelt ook letterlijk in het boek staat. Ik kan dus eigenlijk zonder overdrijven zeggen dat U coauteur bent van dit boek.

– Warempel, Van Patienten! Er schuilt een filosoof in U! Misschien heb je wel gelijk. Maar wat telt voor mij is dat dit boek, meer dan alle andere, de imaginaire praktijk van Flaubert als auteur toont. Dertig jaar heeft hij erover nagedacht. Tien jaar heeft hij eraan geschreven. Vijftienhonderd boeken heeft hij ervoor gelezen. En van daar is hij beginnen kopiëren, vervormen, citeren, verwijzen, spelen, experimenteren, uitvinden, aanpassen, omkeren, vervangen. Zijn imaginaire praktijk is een verborgen – in uw taal: (on)waarneembare – praktijk. Het ontstaat in de omstandigheden. Het is een gebeuren: geen object, geen beeld, geen tekst. Het (ont)staat tussen de dingen. Als een (on)(der)bewuste praktijk.

– Als ik U zo hoor, Dokter, dan lijkt Flaubert wel een soort Bouvard & Pécuchet in één persoon.

– Goed gezien, Van Patienten! Ken je die uitspraak van Flaubert? Madame Bovary, c’est moi. Dat gaat over een ander personage in een eerder boek. Ik had het zo nog niet bekeken. Maar misschien had hij na de publicatie van dit boek wel gezegd: Bouvard et Pécuchet, c’est moi.

– Ja, Dokter, zo ken ik er nog wel een paar. Je est un autre, bijvoorbeeld. Kent U die? Misschien moeten we hier maar stoppen. Niet, Dokter? Het is mooi geweest voor vandaag. Van Patienten ziet U graag.

– ?!?

Advertenties