Die tafels voor de shop/work!

Re-board_1

Die tafels voor de shop/work! Ik krijg er een punthoofd van!

– Tafels? Shop/work? Vertel!

– Wel ja, Dokter. Voor de eindpresentatie van onze Stage organiseren we een shop/work in de Beursschouwburg. Dat idee van die winkel, dat speelt al langer door ons hoofd. En om iets te doen met een workshop ook. Maar omdat we niet goed weten hoe we dat moeten doen, hebben we de zaken wat omgedraaid en zijn we bij een shop/work uitgekomen: een winkel om te werken.

– En die tafels, Van Patienten?

– Wel ja, Dokter. We hebben toch meubels nodig voor de shop/work? Iets om al onze inserts op te schikken en om aan te werken. Het idee komt eigenlijk van dat boek dat U me ooit liet zien, over de Atlas van Aby Warburg. Het leek me wel fijn om onze inserts ook op zo een manier te schikken en te herschikken. Het mooie bij Warburgs iconografische kunstgeschiedenis (zeg ik dat juist, Dokter?), is dat hij zijn tableaus altijd opnieuw hergebruikt en herschikt. Dat willen wij ook doen op dit tafels. En als je die tafels verticaal zet, dan heb je een tableau, zoals bij Warburg.

– Dat heb je goed onthouden, Van Patienten. Maar wat is dan het probleem?

– Odile! Dat is het probleem, Dokter! Als ik zeg dat ik een tafel wil maken in de vorm van een H dan vindt ze dat eerst een goed idee en daarna begint ze daar allemaal vragen bij te stellen. Het is de H van Handelaars natuurlijk, maar het is ook een vorm waar je met twee personen aan kan werken. Een beetje zoals die schrijftafel van Bouvard & Pécuchet: een tafel voor twee mensen die elkaar héél graag zien. Perfect voor mij en Odile, dacht ik. Maar nu zegt ze dat ik beter met losse tafels werk, dat die H de shop/work te veel dreigt te blokkeren. Maar ik wil nog altijd met die losse tafels werken, Dokter. Twee van die tafels snij ik uit de binnenkanten van de H. En dan maak ik nog drie extra tafels in hetzelfde materiaal. En als we die H niet nodig hebben om aan te werken, dan zetten we ze gewoon tegen de muur. We kunnen het gebruiken als display. En als object zal dat ook goed geven. Allez, ik denk dat ze het nu wel begrepen heeft. Maar het kost zoveel tijd om dat allemaal uit te leggen. Ondertussen had ik die tafels al lang gemaakt!

– Maar dat is toch eigen aan het Handelen, Van Patienten? Dat zou je nu toch moeten weten na een jaar stage.

– Ik weet het wel, Dokter. Maar het is nog niet gedaan. Nu dat idee van die tafels en die H erdoor is, begint het gezever opnieuw. Deze keer gaat het over materialen. Als ik zeg zwarte MDF, zegt Odile dat bordverf beter is om op te schrijven en goedkoper ook. Als ik dan voorstel om Re-board te bestellen in Nederland omdat dat licht is en goedkoop, dan zegt Odile dat ik een lokale leverancier moet zoeken: dat is ecologischer. Alsof die lokale leverancier zijn grief niet van elders laat komen! Dat is allemaal wel heel interessant, maar het is ook zo vermoeiend. Odile weet geeneens iets van materialen. Ze kent het verschil nog niet tussen hout, MDF of Re-board. En dan zegt ze nog dat ik mijn hoofd koel moet houden ook! Ja, Dokter, dan begin ik pas echt te koken.

– En toch, Van Patienten, zegt dit veel over het Handelen. Over wat mensen doen, hoe ze het doen en waarom. Ik ken jullie allebei goed genoeg. Als de ene precies weet welk materiaal ze wil, zal de andere eerst gaan kijken welk materiaal er al is. Als de ene vertrekt van het materiaal dat ze mooi vindt, zal de andere zoeken wat meest efficiënt is. Dat is eigen aan het Handelen. Mag ik U nog eens herinneren aan het eerste woordje in de inventaris? Wat staat daar alweer, Van Patienten?

– Geduld, Dokter. Ik weet het wel. Maar Handelen kan soms zo ingewikkeld zijn. En dan heb ik het nog niet gehad over dat boek dat we gaan maken voor de shop/work. En die pijlen! Nog een geluk dat er zich niemand komt moeien met mijn stekjes. Die trekken zelf hun plan. Dat is nog eens een voorbeeld van geduld. Maar nu moet ik gaan. Ik heb al genoeg tijd verloren. Dag Dokter!

– Dag Van Patienten!

Advertenties

Bouvard et Pécuchet

Bouvard et Pécuchet, Dokter? Vertel!35388-0

Bouvard et Pécuchet, Van Patienten? Dat is een fascinerend boek. Het is geschreven door Gustave Flaubert. Hij schreef het aan het eind van zijn leven en het vertelt de avonturen van twee kopiisten.

– Kopiisten, Dokter?

– Ja, Flaubert schreef in de negentiende eeuw en toen waren er nog geen kopieermachines en zeker geen computers. Er was toen veel werk voor klerken die niets anders deden dan teksten overschrijven. Kopiëren was hun beroep.

– Wat is er dan zo fascinerend aan het boek, Dokter? Teksten overschrijven klinkt niet echt opwindend.

– Één van de fascinerende dingen aan dit boek is het schrijven zelf. Het proces – of in Uw taal, Van Patienten: de Handeling – van het schrijven. Dat begint bij het kopiëren van teksten en eindigt bij het schrijven van een roman. Bovendien is dit een boek met een begin maar zonder eind. Flaubert had geen tijd om de twee laatste hoofdstukken uit te schrijven. Hij sterft in 1880. De publicatie van zijn manuscript volgt in 1881. Van de laatste twee hoofdstukken staan in het boek enkel de nota’s van Flaubert. We leren daaruit dat Bouvard en Pécuchet opnieuw gaan kopiëren, zoals ze het altijd al hebben gedaan. Alleen doen ze het nu met meer overtuiging. Ze laten zich een dubbele lessenaar bouwen – een lessenaar die zijn eigen kopie al in zich draagt – waar ze samen aan kunnen werken en ze annoteren de gekopieerde teksten onderaan het blad. Met het laatste hoofdstuk wou Flaubert de gebeurtenissen nogmaals overlopen – niet als een kopie deze keer, maar wel als een kritiek van zijn eigen boek. Het is die kritische ingesteldheid die altijd al ontbrak bij de twee kopiisten.

– Wat kan ik me daarbij voorstellen, Dokter, bij die nota’s?

– Die beide laatste hoofdstukken nemen elk telkens één pagina in beslag. Ze sluiten opnieuw aan bij het eerste hoofdstuk waarin de personages elkaar ontmoeten. Het is een hernieuwde voorstelling van de personages.

– Een nieuw begin dus, in plaats van het einde dat er nooit is geweest.

– Eigenlijk wel, ja. Maar het belangrijkste deel van het boek zijn natuurlijk de hoofdstukken die daartussen staan en waarin de protagonisten de overgang maken van een bestaan als kopiist naar een bestaan als kopiist. Dit is een boek in de overgang. Die tussenhoofdstukken, die het grootste deel van het boek vullen, maken het extra interessant. Het geeft dit boek een plaats tussen de dingen.

– Dat is interessant! Handelaars zijn ook tussenpersonen, altijd tussenin: tussen de mensen en tussen de dingen.

– Precies. En het interessante an sich, Van Patienten, dat is misschien wel het eigenlijke onderwerp van dit boek: de inter-esse als een tussen-de-dingen-zijn. Dat is waar het boek mee begint: de attractie van de dingen. De kleine details, de toevallige gelijkenissen zorgen voor de bijzondere aantrekkingskracht tussen de twee mannen. Want op het eerste zicht zijn ze totaal verschillend: de dikke en de dunne, de impulsieve en de voorzichtige. Hun interesse ontstaat in de gelijkenissen: de keuze voor dezelfde bank aan het water, de gewoonte om hun naam – die uiteraard verschilt – in de binnenkant van hun pet te schrijven, een zekere desinteresse voor vrouwen – het andere – en verder is de ene kopiist in een handelszaak en de ander op een ministerie en zijn ze allebei 47 jaar.

– Alsof ze zichzelf ontdekken in de ander.

– Goed gezien, Van Patienten. Bovendien is dit niet het begin van een vriendschap, maar wel degelijk een coup de foudre: het begin van een passionele relatie, van een andere liefde. Allebei hebben ze genoeg van het werk: altijd diezelfde pennen, altijd diezelfde collega’s! Ze hebben genoeg van de monotonie. En terwijl ze zichzelf ontdekken verliezen ze ook een stuk van zichzelf. De balans van deze vriendschap zorgt voor een positieve en een negatieve interest.

– Balans, interest, Dokter: het lijkt wel een boekhoudersboek!

– Dat lijkt alleen maar zo, Van Patienten. Hun liefde is echt wel passioneel. De prille liefde in dat eerste hoofdstuk begint met een openbaring van een mogelijke wereld. Mogelijk, want herkenbaar, maar ook mogelijk, want met zicht op een andere werkelijkheid. Die interesse voor de ander, voor wat verschilt, ontstaat in de herkenning, in wat niet verschilt. Zoals de kennis van Bouvard en Pécuchet ontstaat in de gelijkenis. Het zijn en blijven kopiisten. Ook – of zelfs – als ze hun leven veranderen en de gekopieerde kennis omzetten in de praktijk. Ook dan blijven het kopiisten.

– Hoe verandert hun leven dan, Dokter?

– Ah ja, sorry, dat had ik eigenlijk eerst moeten vertellen. Als de ene een grote som erft van een vergeten nonkel legt de ander zijn spaarcenten bij en kopen ze samen een boerderij in Normandië. Ze gaan er boeren. Niet zoals de boeren die het van generatie op generatie leerden van elkaar, maar wel volgens de boeken. En als ze door de omstandigheden – die natuurlijk niet in de boeken staan – mislukken in de landbouw, verleggen ze hun aandacht naar andere interesses. Als daar zijn: de chemie, de archeologie, de literatuur, de politiek, de liefde, de lichamelijke opvoeding, de religie en de educatie.

– Dat is wel veel om allemaal te leren in één leven. Of in één boek.

– Ja, en er wordt dan ook nogal wat gestunteld in die centrale hoofdstukken. Bouvard en Pécuchet herkennen zichzelf in de en het andere, maar stuiten altijd weer op een verschil. Dat verschil staat voor een tekort, iets dat moet bijgepast worden en dat maakt dat ze moeten blijven bijstellen, proberen, onderhandelen, toenadering zoeken. En dat doen ze met plezier. Ze willen anders worden, zich het verschil eigen maken. Maar het heeft altijd iets stuntelig. Ze zien iets dat er niet is (nog niet, maar dat kan nog komen). Ze doen dingen die ze niet kunnen (nog niet, maar dat komt nog wel). Hun huis zit vol gaten en spleten, het eten trekt op niets, de oogst mislukt en toch zijn ze gelukkig. Ze leven in een fantasie – een andere wereld. Ze laten zich leiden door het boek zonder er echt veel van te leren. Het zal altijd stuntelig blijven zolang ze naar hetzelfde zoeken in de ander. De stunteligheid zal pas overwonnen worden door het zoeken naar het andere in de ander: wat natuurlijk niet in de boeken staat. Door de aanvaarding.

– Aanvaarding, Dokter? Van het stuntelen?

– Zo je wil, Van Patienten. Ik zou eerder zeggen: van het andere. Veel van dat stuntelen is het gevolg van een idealistische opvatting van de kopie. Bouvard en Pécuchet denken dat ze de kennis van de boeken zonder meer kunnen kopiëren en toepassen in hun dagelijkse Handelen. Ze houden geen rekening met het verschil dat eigen is aan elke herhaling. Meer zelfs: het is eigen aan elke kopie, aan het werk dat ze hun hele leven al doen. Daarom keren ze van de praktijk van de landbouw, van de scheikunde, van de liefde en al die andere domeinen van kennis die ze tegenkomen op hun weg uiteindelijk terug naar de praktijk van de kopie: de nulgraad als praktijk, waar de kopie samenvalt met zichzelf als origineel. Die nulgraad bereiken ze aan het einde van het boek. Op dat moment valt ook het boek samen met zichzelf en worden de twee klerken zichzelf in de overtreffende trap. Ze werken niet aan een gewoon individueel bureau, maar wel aan een dubbele, één die de eigen kopie al in zich draagt.

– Oh Dokter, wat kan u toch goed lezen! En het nog zo mooi navertellen ook.

– En pas op, Van Patienten, het is nog niet gedaan. Dit boek eindigt met een Dictionnaire des idées reçues: een woordenboek van gemeenplaatsen. Daarin zit niet zozeer een aanval op de bourgeoisie, maar wel op de petit-bourgeois. Het gaat over een herhaling, een kopie, van de bourgeois op een stuntelige manier: de farce van de bourgeoisie, waarin lieden die het niet kunnen, toch proberen te Handelen zoals de echte. Dit is een boek over het doen alsof. Bouvard en Pécuchet zijn begonnen als kopiisten en zullen ook zo eindigen. Alleen doen ze het nu met meer overtuiging.

– En volgens U begint dat dus allemaal met het schrijfproces. Met het Handelen van de schrijver Gustave Flaubert.

– Dat heb je goed onthouden, Van Patienten. In de nota’s van het laatste hoofdstuk maakt Flaubert zichzelf eigenlijk tot onderwerp van zijn boek. Hij geeft hier een kritiek op zijn eigen boek. De Dictionnaire des idées reçues die daarop volgt, is nog een extra herhaling van het boek. Daar begint de eeuwige wederkeer van het gelijke. Het is een bijlage en ook die is niet af: een extra verzameling nota’s bij een boek in wording.

– Begrijp ik het dan goed, Dokter, dat de lezer hier zelf schrijver moet worden om het boek te voltooien? Ik veronderstel dat niet alles wat U zonet vertelt ook letterlijk in het boek staat. Ik kan dus eigenlijk zonder overdrijven zeggen dat U coauteur bent van dit boek.

– Warempel, Van Patienten! Er schuilt een filosoof in U! Misschien heb je wel gelijk. Maar wat telt voor mij is dat dit boek, meer dan alle andere, de imaginaire praktijk van Flaubert als auteur toont. Dertig jaar heeft hij erover nagedacht. Tien jaar heeft hij eraan geschreven. Vijftienhonderd boeken heeft hij ervoor gelezen. En van daar is hij beginnen kopiëren, vervormen, citeren, verwijzen, spelen, experimenteren, uitvinden, aanpassen, omkeren, vervangen. Zijn imaginaire praktijk is een verborgen – in uw taal: (on)waarneembare – praktijk. Het ontstaat in de omstandigheden. Het is een gebeuren: geen object, geen beeld, geen tekst. Het (ont)staat tussen de dingen. Als een (on)(der)bewuste praktijk.

– Als ik U zo hoor, Dokter, dan lijkt Flaubert wel een soort Bouvard & Pécuchet in één persoon.

– Goed gezien, Van Patienten! Ken je die uitspraak van Flaubert? Madame Bovary, c’est moi. Dat gaat over een ander personage in een eerder boek. Ik had het zo nog niet bekeken. Maar misschien had hij na de publicatie van dit boek wel gezegd: Bouvard et Pécuchet, c’est moi.

– Ja, Dokter, zo ken ik er nog wel een paar. Je est un autre, bijvoorbeeld. Kent U die? Misschien moeten we hier maar stoppen. Niet, Dokter? Het is mooi geweest voor vandaag. Van Patienten ziet U graag.

– ?!?

What’s in a name?

Dag Odile,IMG_1835

What’s in a name? In Brussel Deze Week staat een foto van het kruis van Dumitru. Er staat ook een tekstje bij. Blijkt dat de naam op het kruis fout is. Een zekere Corneliu leert de fotograaf dat niet Dumitru in dat tentje woonde, maar wel Nicolae. Zes jaar lang. Ook het geboortejaar blijkt fout: dat moet 1957 zijn, niet 1947.

Zou het kunnen dat Dumitru/Nicolae twee namen had? Misschien was er iemand die zoveel van hem hield dat ie hem een nieuwe naam gaf. In 1957 bijvoorbeeld.

Wat denk je, Odile?

Dag Odile!

Kus,

Odile

Hartverwarmend

Dag Odile,P1060664

Hartverwarmend noemen ze dat. In het guurste weer van het jaar de straat op om duidelijk te maken dat er wel een alternatief is. Het hield niet op met regenen. De wind sleurde aan spandoeken en paraplus. En wij dansen en zingen ons de ziel uit het lijf.

Zingen in de regen en dansen in de plassen, dat vinden wij natuurlijk wel plezant. Net als die twintigduizend anderen die mee de tien Hartenwensen van Hart boven Hard helpen uitdragen: voor een solidaire samenleving met meer aandacht voor onderwijs en cultuur, voor armoede en diversiteit, voor een nieuwe invulling van de democratie. Één kleurrijk en positief signaal tegen de vermarkting van de samenleving waarin alles in cijfers wordt uitgedrukt.

Tegen de vermarkting? Is dat dan tegen de Handelaars? Laat ons zeggen dat het voor een andere invulling van de markt is. Voor een andere manier van Handelen. Een manier om samen te Handelen en niet elk voor zich. De Handelaars van Hart boven Hard doen niets alleen. Ze praten, luisteren, overleggen, passen zich aan. Ze hebben niet alleen aandacht voor elkaar, maar ook voor hun omgeving. Ze zetten liefde en geluk in de plaats van winst en rijkdom. Dat soort Handelaars, dat zijn wij.

Toch? Odile?

Dag Odile!

Kus,

OdileP1060662

1947 Dumitru 2015

Dag Odile,P1060649

1947 Dumitru 2015.

Het pleintje tussen de Vismarkt en de Handelskaai heeft geen naam en al helemaal geen nummer. Het is zelfs geen pleintje, maar een streep gras waar vroeger de dokken van de Brusselse haven lagen. Weinig mensen kennen de namen van de kaaien langs het pleintje: de Timmerhoutkaai en de Schuitenkaai. Als je er bekenden ziet, dan steken ze het pleintje over. De mensen die er de banken, het speeltuintje of het gazon gebruiken ken je zelden. Naamloze mensen op een naamloos plein. Een stukje niemandsland in de stad.

Op dat pleintje, Odile, staat sinds jaar en dag een tentje. Ik heb het er altijd zien staan, maar nooit zag ik er iemand in of uitstappen. Een tentje zonder gezicht op een pleintje zonder naam.

Hier, Odile, gaan we even terugspoelen. Lang voor we aan onze stage begonnen, speelden we met het idee om een verbinding te maken tussen de Handelaars van de Dansaertstraat, langs die van de Lepagestraat, de Vlaamsesteenweg en de Varkensmarkt, naar de Handelaars in en rond het Klein Kasteeltje. Dat stukje Brussel heeft een heel bijzondere sociale mix. Dat tentje speelde een rol in ons verhaal. Het was de vaste waarde op dat pleintje met altijd andere spelende kinderen, keuvelende ouders, drinkende clochards en haastige passanten.

De inspiratie voor dat plan begint bij Sonia, de bazin van Stijl en oer-Handelaar van de Dansaertwijk, en de Déviation/Omlegging van Fred, onze favoriete kapper in de buurt. Fred wou de aandacht voor de Dansaertstraat omleggen naar de andere straten in de buurt. Sonia vroeg of ze ook kon aansluiten bij zijn déviation. Dat vonden we raar, want we dachten net dat zij de Dansaertwijk op de kaart heeft gezet. Maar uiteindelijk vonden we het ook normaal: wie wil er immers niet bijhoren? We dachten aan de Handelaars op dat pleintje, en verder op de hoek van de Ieperlaan en de Diksmuidelaan, wachtend op werk, en die in het Klein Kasteeltje, wachtend op papieren: die willen er ook bijhoren. Maar die hebben geen Fred die voor hen een omlegging organiseert.

Onbekend is onbemind. Het probleem is dat je geen omlegging kan organiseren als er geen naam is. Al die pijlen van Fred dragen namen van Handelaars in de buurt. En de meest recente Handelaar die erbij wil horen is trouwens – even verrassend als Sonia – ons aller Beursschouwburg. Die kent toch iedereen? En toch: alle pijlen met alle namen uit Fred’s déviation sieren daar nu samen de gevel en op de gevels van die Handelaars hangen nu pijlen naar de Beursschouwburg.

Om een lang verhaal kort te maken: op de plaats waar vroeger dat tentje stond, Odile, daar staat nu een houten kruis. En op dat kruis staat een naam: Dumitru. Er staat ook een datum bij: 1947-2015. Ik weet niet wie het daar heeft gezet. Ik weet ook niet hoe lang het er al staat. En ik weet ook niet wat er met Dumitru is gebeurd. Maar zijn naam op dat kruis werkt wel als een magneet op andere Handelaars die er ook bij willen horen. In een plastic mapje tussen de bloemen aan de voet van het kruis ligt een boekje, met daarop een Post-it met een boodschap, een telefoonnummer en … een naam: Tania nodigt je uit om haar te bellen voor meer details over het onderwerp. Is dat niet ironisch, Odile? Net nu Dumitru een naam heeft, wordt hij gereduceerd tot een onderwerp, un sujet.

De dokter sprak me laatst over de liefde, Odile. Ik weet niet of ze het daar met jou ook over had. Ze vertelde me dat ik mezelf graag moet zien, net zoals ik de anderen graag zie. Ik moest denken aan dat zinnetje dat ik lang geleden las en me sindsdien is blijven achtervolgen: je inleven in de ander is de hoogste vorm van verbeelding. Ik probeer dat af en toe. En ik denk dat het veel met liefde heeft te maken.

Dat kruis is het bewijs: iemand houdt van Dumitru.

Kunnen wij nog houden van Dumitru, Odile?

Dag Odile!

Kus,

Odile

P1060650 P1060651

Wat is ’t nu weer

Van Patienten?

Wat is ’t nu weer! Ge zijt hier nog maar pas geweest en ge staat daar alweer. Wat is uw probleem eigenlijk?

Ge wilt uzelf zijn? En ge wilt dat ik u daarbij help? Welnu, mijn beste Van Patienten, ik zal u direct helpen. Ik zal eens goed naar u kijken met mijne kijker. En ik zal u zeggen wat ik zie: u zelf. En ik zal eens goed naar u luisteren met mijn stethoscoop. Wat hoor ik? Juist ja: u zelf.

Wat ge moet doen Van Patienten? Uzelf aanvaarden zoals ge zijt. Vandaag zijt ge een stagiair. Dat wil zeggen dat ge aan het leren zijt. Ge groeit nog elke dag. En met u, uw kennis. Ge kijkt hoe anderen Handelen. Ge vraagt wat ze doen en waarom. En dan probeert ge het zelf ook. Zo wordt ge altijd een beetje anders, ge gaat altijd wat meer lijken op die ander. En daar is niets mis mee, Van Patienten. Zolang ge het maar doet op uw eigen manier.

Weet ge waar het fout loopt Van Patienten? Als ge denkt dat ge anders moet worden. Dat ge een stage moet lopen. Dan gaat het niet meer, Van Patienten. Dan wringt het tegen. Dan gaat ge dingen doen tegen uw goesting. En dan hangt het uw voeten uit.

Wat heb ik u vorige keer gezegd? Geduld? Juist, ja. Dat staat helemaal bovenaan uw inventaris. Dat hebt ge goed onthouden. En waarover hebben we nog gesproken? De liefde, Van Patienten! Ge moet uzelf graag zien. Even graag als de anderen. En als ge u graag ziet, dan zult ge wel zien wie ge zijt. Ge hebt toch zelf gekozen voor deze stage? Niemand heeft u daar toch toe verplicht? Ge gaat het toch niet op al die mensen steken die u steunen in uw stage? Die van de Beursschouwburg en die van de VGC? Ge hebt er zelf om gevraagd. Ge hebt het zelf gewild. Ook die mensen moet ge graag zien, Van Patienten.

Mag ik eens goed lachen als ik lees dat ge u ongemakkelijk voelt, Van Patienten? Laat ons daar maar een ontje bijzetten als medicijn. Want ge bedoelt natuurlijk (on)gemakkelijk. Uw gemak is deel van uw ongemak. Uw stage, uw Odile, uw bij, uw Engels, uw pruik en uw Ant Hampton: het is allemaal deel van uw (on)gemak.

Allez. Doe maar gewoon voort met waar ge mee bezig zijt. Ge zijt goed bezig. En stopt nu maar met dat gezoek naar uzelf. Laat maar es af en toe uw kopke zakken. Dat doet deugd. Maar doet ondertussen ook eens uw oogskes open. Wat ziet ge dan? U zelf. Helemaal zoals ge zijt. Zijt ge dan niet blij, Van Patienten?

Het gaat u goed, Van Patienten. De Dokter ziet u graag.

Gegroet,

De Dokter